ECLI:NL:HR:2001:AB2767
Hoge Raad
- Cassatie
- E. Korthals Altes
- A.G. Pos
- D.H. Beukenhorst
- L. Monné
- P.J. van Amersfoort
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt naheffingsaanslag loonbelasting over reiskostenvergoeding 1997
Belanghebbende, een B.V., kreeg een naheffingsaanslag opgelegd over het tijdvak 1 januari 1997 tot en met 31 juli 1997 wegens het niet inhouden van loonbelasting en premie volksverzekeringen op reiskostenvergoedingen aan gedetacheerde werknemers. Na bezwaar en beroep bij het Hof, waarbij het Hof de aanslag bevestigde, stelde belanghebbende beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.
De kern van het geschil betrof de toepassing van het enkelvoudige tarief zoals bedoeld in artikel 31, lid 3, letter b, van de Wet op de loonbelasting 1964 op het bovenmatige deel van de reiskostenvergoedingen. De Hoge Raad oordeelde dat artikel 31 met Pro onmiddellijke werking geldt vanaf 1 januari 1997 en ook van toepassing is op loonbestanddelen die vóór die datum zijn genoten maar pas daarna worden belast.
Echter, het bovenmatige deel van de reiskostenvergoedingen kan niet worden gerekend tot de eindheffingsbestanddelen zoals bedoeld in artikel 31, lid 2, aanhef en letter e, omdat het reiskostenforfait in artikel 11, lid 12, ook met onmiddellijke werking geldt vanaf 1 januari 1997 en niet van toepassing is op vergoedingen vóór die datum.
Daarom moet het bovenmatige deel worden belast volgens het tabeltarief van artikel 31, lid 3, letter a, onder 1°, waarbij rekening wordt gehouden met het afzien van verhaal van loonbelasting en premies. De naheffingsaanslag is dienovereenkomstig opgelegd en de berekening ervan is niet in geschil. De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond en bevestigt daarmee de aanslag.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de naheffingsaanslag loonbelasting over het bovenmatige deel van de reiskostenvergoeding.