ECLI:NL:HR:2001:AB3098
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H.J. Mijnssen
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- J.B. Fleers
- H.A.M. Aaftink
- A. Hammerstein
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt vonnis over loonbetaling bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid en passende arbeid
De zaak betreft een werknemer die sinds 1993 bij Ranzijn werkzaam was en sinds september 1995 gedeeltelijk arbeidsongeschikt werd verklaard vanwege beperkingen bij tillen, dragen en staan. Hoewel hij zich bereid verklaarde passende arbeid te verrichten, weigerde Ranzijn loon door te betalen met het argument dat passend werk niet beschikbaar was.
De werknemer vorderde loonbetaling vanaf 24 september 1996 tot het einde van de arbeidsovereenkomst. Zowel de Kantonrechter als de Rechtbank Haarlem wezen deze vordering af, waarbij de Rechtbank oordeelde dat het zware sjouw- en tilwerk inherent was aan de functie en dat van de werkgever niet kon worden verlangd dat collega’s structureel zouden bijspringen.
De Hoge Raad stelde echter vast dat de Rechtbank onvoldoende had gemotiveerd waarom de stellingen van de werknemer over de geringe frequentie van zwaar tilwerk niet waren betrokken in haar oordeel. Hierdoor was het vonnis niet naar de eis der wet met redenen omkleed. De Hoge Raad vernietigde het vonnis en verwees de zaak naar het Hof Amsterdam voor verdere behandeling en beslissing.
Daarnaast veroordeelde de Hoge Raad Ranzijn in de kosten van het cassatiegeding. De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige motivering bij de beoordeling van de verplichtingen van de werkgever bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid en passend werk binnen een concern.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt vonnis en verwijst zaak naar Hof Amsterdam voor verdere behandeling.