ECLI:NL:HR:2001:AB3103

Hoge Raad

Datum uitspraak
2 november 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R01/047HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • C.H.M. Jansen
  • J.B. Fleers
  • A.G. Pos
  • A. Hammerstein
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 101a Rv
Verwijzingen
1 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatie tegen omgangsregeling tussen oom en minderjarig kind

De oom heeft bij de Rechtbank Amsterdam een verzoek ingediend voor een omgangsregeling met zijn minderjarige neef of nicht. De rechtbank bepaalde dat de oom het kind eenmaal per twee maanden op zondagmiddag mag ontmoeten en legde een dwangsom op aan de moeder als zij niet meewerkt.

De moeder stelde hiertegen hoger beroep in bij het Gerechtshof Amsterdam, dat de beschikking van de rechtbank bekrachtigde. Vervolgens stelde de moeder beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was, omdat geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren. Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee de omgangsregeling ongewijzigd bleef.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van de moeder tegen de omgangsregeling tussen de oom en het minderjarige kind.

Uitspraak

2 november 2001
Eerste Kamer
Rek.nr. R01/047HR
NS
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De moeder], wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
[De oom], wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 9 december 1998 ter griffie van de Rechtbank te Amsterdam ingediend verzoekschrift heeft verweerder in cassatie - verder te noemen: de oom - zich gewend tot die Rechtbank en verzocht een regeling te treffen inzake de omgang tussen hemzelf en [het] minderjarige [kind].
Verzoekster tot cassatie - verder te noemen: de moeder - heeft het verzoek tijdens de behandeling ter terechtzitting bestreden.
De Rechtbank heeft bij beschikking van 11 april 2000 bepaald dat - de oom [het kind] bij zich mag hebben eenmaal per twee maanden op de eerste zondagmiddag van die maand van 13:00 uur tot 17:00 uur;
- de moeder haar medewerking aan de uitvoering van deze beslissing dient te verlenen, bij gebreke waarvan zij een dwangsom verschuldigd zal zijn ten bedrage van ƒ 250,-- voor elke keer dat zij nalaat haar medewerking te verlenen aan de vastgestelde omgangsregeling.
Tegen deze beschikking heeft de moeder hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam.
Bij beschikking van 25 januari 2001 heeft het Hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigd.
De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het Hof heeft de moeder beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De oom heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal in buitengewone dienst J.K. Moltmaker strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beant-woording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren C.H.M. Jansen, als voorzitter, J.B. Fleers en A.G. Pos, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 2 november 2001.