ECLI:NL:HR:2001:AB3234
Hoge Raad
- Cassatie
- F.W.G.M. van Brunschot
- D.G. van Vliet
- C.B. Bavinck
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt oordeel dat werkzaamheden geen zelfstandige onderneming vormen
Belanghebbende kreeg voor het jaar 1995 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd op basis van een belastbaar inkomen van ƒ 135.816, die na bezwaar werd verminderd tot ƒ 131.296. Een deel van dit inkomen werd belast volgens artikel 57 van Pro de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Belanghebbende ging in beroep bij het Hof, dat de uitspraak van de Inspecteur bevestigde en oordeelde dat zij geen onderneming dreef in de zin van artikel 6 van Pro de Wet. Het Hof baseerde dit op het feit dat belanghebbende vrijwel uitsluitend voor één opdrachtgever werkte, geen ondernemersrisico droeg en dat het contract strikte afspraken bevatte over honorarium, werktijd en overleg.
Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het Hof. De Hoge Raad oordeelde dat het Hof geen onjuiste rechtsopvatting had gegeven en dat de feitelijke waarderingen niet in cassatie getoetst kunnen worden. De klachten faalden en er was geen aanleiding tot nadere motivering. De Hoge Raad wees het beroep af en veroordeelde belanghebbende niet in de proceskosten.
Dit arrest bevestigt de criteria voor het al dan niet drijven van een onderneming in het kader van de inkomstenbelasting en benadrukt het belang van zelfstandigheid en ondernemersrisico bij de beoordeling van dergelijke gevallen.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat belanghebbende geen onderneming dreef in 1995.