ECLI:NL:HR:2001:AB3286

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 september 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03074/00
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 107 Wegenverkeerswet 1994
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging vonnis wegens nietige dagvaarding in hoger beroep en overschrijding redelijke termijn

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een bij verstek gewezen vonnis van de Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch, waarin de verdachte werd veroordeeld voor het rijden zonder verplichte motorrijtuigverzekering en een overtreding van de Wegenverkeerswet 1994. De Hoge Raad stelt vast dat de dagvaarding in hoger beroep niet op juiste wijze is betekend, omdat de akte van uitreiking niet voldoende bewijs levert dat de dagvaarding als gewone brief naar het juiste adres is verzonden. Hierdoor wordt de dagvaarding in hoger beroep nietig verklaard.

Daarnaast wordt geconstateerd dat het cassatieberoep van de verdachte op 7 juli 1999 is ingesteld, maar pas op 5 september 2000 ter griffie van de Hoge Raad is ontvangen, waardoor de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro is overschreden. De Hoge Raad benadrukt dat het belang van normhandhaving prevaleert boven het belang van de verdachte bij verval van het recht tot strafvervolging, maar dat bij een eventuele veroordeling rekening moet worden gehouden met deze termijnoverschrijding.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak en verklaart de dagvaarding in hoger beroep nietig, waardoor de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn hoger beroep. Het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad en uitgesproken op 25 september 2001.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het vonnis en verklaart de dagvaarding in hoger beroep nietig, waardoor de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard.

Uitspraak

25 september 2001
Strafkamer
nr. 03074/00
AGJ/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen vonnis van de Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 28 januari 1999, nummer 01/405056-96, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
De Rechtbank heeft in hoger beroep - met vernietiging van een bij verstek gewezen vonnis van de Kantonrechter te Eindhoven van 21 oktober 1997 - de verdachte ter zake van 1. "als bezitter een motorrijtuig op een weg doen rijden, zonder dat hij voor dat motorrijtuig een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen heeft gesloten en in stand gehouden" en
2. "overtreding van artikel 107, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994" veroordeeld ten aanzien van feit 1. tot een geldboete van zeshonderdzestig gulden, subsidiair dertien dagen hechtenis en ten aanzien van feit 2. tot een geldboete van tweehonderdtachtig gulden, subsidiair vijf dagen hechtenis.
2. Geding in cassatie
Het beroep, dat kennelijk niet is gericht tegen de beslissing van de Rechtbank dat de verdachte ontvankelijk is in zijn hoger beroep, is ingesteld door de verdachte. Middelen van cassatie zijn door of namens deze niet voorgesteld.
De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen en de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn hoger beroep.
3. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
3.1. De akte van uitreiking, gehecht aan het dubbel van de dagvaarding van de verdachte om te verschijnen op de terechtzitting in hoger beroep van 28 januari 1999, houdt in dat die dagvaarding op 8 januari 1999 is uitgereikt ter griffie van de Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch aan de (waarnemend) griffier van die rechtbank "omdat de geadresseerde, blijkens de aan deze akte gehechte mededeling van de afdeling bevolking van diens woongemeente, op de dag van aanbieding van de gerechtelijke brief en tenminste vijf dagen nadien als ingezetene in de basisadministratie persoonsgegevens op het op deze akte vermelde adres stond ingeschreven."
Bedoelde akte van uitreiking houdt niet in dat de griffier verklaart deze gerechtelijke brief als gewone brief te hebben verzonden naar het op de akte van uitreiking vermelde adres van geadresseerde.
De bestreden uitspraak is bij verstek gewezen.
Het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel dat de dagvaarding in hoger beroep op juiste wijze is betekend, is gelet op het bovenstaande ontoereikend gemotiveerd. De Hoge Raad zal om doelmatigheidsredenen de dagvaarding in hoger beroep nietig verklaren.
3.2. Voorts verdient het volgende opmerking.
3.2.1. De verdachte heeft op 7 juli 1999 beroep in cassatie ingesteld. Blijkens een op de inventaris van de stukken geplaatst stempel zijn deze op 5 september 2000 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen, terwijl de Hoge Raad in deze zaak uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren na het instellen van het cassatieberoep zijn verstreken. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden.
3.2.2. Bij afweging van enerzijds het belang dat de gemeenschap ook na overschrijding van genoemde termijn behoudt bij normhandhaving door berechting en anderzijds het belang dat de verdachte heeft bij verval van het recht tot strafvervolging nadat die termijn is overschreden, moet eerstgenoemd belang prevaleren. Bij de verdere behandeling van het hoger beroep zal bij een eventuele veroordeling dan ook in die zin met deze overschrijding van de redelijke termijn behoren te worden rekening gehouden.
4. Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen, brengt mee dat als volgt moet worden beslist.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
Vernietigt de bestreden uitspraak;
Verklaart de dagvaarding in hoger beroep nietig.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en E.J. Numann, in bijzijn van de waarnemend-griffier H.H.A. de Nijs, en uitgesproken op 25 september 2001.