ECLI:NL:HR:2001:AD3885
Hoge Raad
- Cassatie
- G.J. Zuurmond
- F.W.G.M. van Brunschot
- D.G. van Vliet
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- Rechtspraak.nl
Beoordeling waardering pensioenverplichting op openingsbalans vennootschapsbelasting 1992
Belanghebbende, een directiepensioenlichaam, had voor het jaar 1992 een aanslag vennootschapsbelasting ontvangen gebaseerd op een pensioenverplichting die zij had overgenomen van B B.V. De pensioenverplichting was gewaardeerd op de balans per 1 januari 1992 tegen een rekenrente van 8%, terwijl de Inspecteur en het Hof een rekenrente van 4% hanteerden.
Het geschil betrof de juiste waardering van deze pensioenverplichting, waarbij belanghebbende zich beroept op toezeggingen van de Staatssecretaris dat bepaalde toekomstige aanpassingen (coming-backserviceverplichtingen) niet in de waardering zouden hoeven worden meegenomen. Het Hof oordeelde dat bij waardering volgens de Wet op de inkomstenbelasting 1964 geen vrijval van deze verplichtingen plaatsvindt, zodat de toezeggingen niet tot afwijking van de wettelijke waardering leiden.
De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het Hof dat een rekenrente van 4% moet worden gehanteerd en dat de toezeggingen van de Staatssecretaris niet het vertrouwen rechtvaardigen dat een afwijkende waardering is toegestaan. Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard.
De Hoge Raad ziet geen aanleiding tot veroordeling in proceskosten en verklaart het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de waardering van de pensioenverplichting tegen 4% rekenrente bevestigd.