ECLI:NL:HR:2001:AD4007
Hoge Raad
- Cassatie
- P. Neleman
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- H.A.M. Aaftink
- A.G. Pos
- O. de Savornin Lohman
- A. Hammerstein
- Rechtspraak.nl
Beslissing over vaststelling van het verschuldigde vast recht in cassatieprocedure met financieel belang
In deze zaak heeft de Griffier van de Hoge Raad het vast recht voor een cassatieprocedure vastgesteld op ƒ 1.795,--, gebaseerd op een financieel belang van ƒ 995.200,--. Mr. Thöle, advocaat van verweerster, heeft hiertegen verzet aangetekend en verzocht het vast recht te verlagen tot ƒ 475,--, stellende dat het om een zaak ging die betrekking had op Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en daarom een ander tarief zou moeten gelden.
De Hoge Raad overweegt dat voor de berekening van het vast recht in een cassatiezaak moet worden uitgegaan van het bedrag van de vordering waarover in de vorige instantie is beslist. Dit betekent dat de procedure wordt aangemerkt als een vordering tot betaling van het genoemde bedrag, ongeacht de grondslag van de vordering. De omstandigheid dat de zaak ook via een verzoekschriftprocedure had kunnen worden behandeld, is daarbij niet relevant.
Op grond hiervan verklaart de Hoge Raad het verzet ongegrond en bevestigt dat het vast recht van ƒ 1.795,-- terecht is vastgesteld. De beslissing is gegeven door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad en in het openbaar uitgesproken op 30 november 2001.
Uitkomst: Het verzet tegen de vaststelling van het vast recht van ƒ 1.795,-- wordt ongegrond verklaard.