ECLI:NL:HR:2001:AD4503
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H.J. Mijnssen
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- O. de Savornin Lohman
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid in cassatie wegens wijziging art. 38 RO niet van toepassing
Eiser heeft bij de Kantonrechter een geldvordering ingesteld van in totaal ƒ 2.693,18, vermeerderd met wettelijke rente. De Kantonrechter verklaarde eiser niet-ontvankelijk in zijn vordering. Eiser stelde beroep in cassatie in tegen dit vonnis.
De kern van het geschil betreft de toepasselijkheid van artikel 38 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie (RO). Tot 1 januari 1999 kon geen hoger beroep worden ingesteld tegen vonnissen van de Kantonrechter indien de vordering minder was dan ƒ 2.500,--. Per 1 januari 1999 werd deze grens verhoogd naar ƒ 3.500,--. Echter, volgens artikel VI van de wijzigingswet is deze nieuwe drempel niet van toepassing op zaken die voor 1 januari 1999 aanhangig zijn gemaakt.
Omdat de inleidende dagvaarding in deze zaak op 10 juni 1998 is uitgebracht en de vordering toen meer bedroeg dan ƒ 2.500,--, had eiser in hoger beroep kunnen komen. Dit betekent dat eiser in cassatie niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De Hoge Raad veroordeelt eiser in de kosten van het cassatiegeding en verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Uitkomst: Eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep wegens niet-toepassing van de gewijzigde drempel voor hoger beroep.