ECLI:NL:HR:2001:AD4867

Hoge Raad

Datum uitspraak
26 oktober 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
36521
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • E. Korthals Altes
  • J.W. van den Berge
  • A.R. Leemreis
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 lid 1 aanhef en letter b Wet op de inkomstenbelasting 1964
Verwijzingen
1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt heffing van volledige alimentatie als belastbaar inkomen

Belanghebbende kreeg voor het jaar 1996 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd op basis van een belastbaar inkomen van ƒ 30.872. Na bezwaar en beroep bij het Hof werd de aanslag gehandhaafd. Belanghebbende stelde in cassatie dat het deel van de alimentatie dat hij gebruikt voor de verzorging van huisdieren niet belastbaar mocht zijn volgens artikel 30, lid 1, aanhef en letter b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.

Het Hof had geoordeeld dat het gehele alimentatiebedrag, ongeacht de besteding, als belastbaar inkomen moet worden beschouwd. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en stelde dat de motieven achter de alimentatievaststelling niet relevant zijn voor de heffing.

De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af. Hiermee is bevestigd dat alimentatie in zijn geheel belastbaar is, ook als een deel daarvan wordt gebruikt voor niet-levensonderhoudsdoeleinden zoals huisdierverzorging.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat de volledige alimentatie als belastbaar inkomen wordt beschouwd.

Uitspraak

Nr. 36.521
26 oktober 2001
FA
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 7 augustus 2000, nr. 98/03136, betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1996 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 30.872, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak bevestigd.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingestelden daarbij een middel voorgesteld.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Belanghebbendes huwelijk is door echtscheiding geëindigd. Bij beschikking van de Arrondissements-rechtbank te Arnhem van 24 maart 1992 is bepaald dat de ex-echtgenote van belanghebbende alimentatie aan belanghebbende dient te betalen voor diens levensonderhoud. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het deel van de alimentatie waarmee hij de verzorging van huisdieren bekostigt, niet op grond van artikel 30, lid 1, aanhef en letter b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 in de heffing kan worden betrokken.
3.2. Het Hof heeft evenwel terecht geoordeeld dat het gehele bedrag dat belanghebbende maandelijks van zijn ex-echtgenote ontvangt, voor de heffing van de inkomstenbelasting gerekend wordt tot de inkomsten in de vorm van bepaalde periodieke uitkeringen en verstrekkingen als bedoeld in voornoemd artikel, en dat het hierbij niet van belang is welke overwegingen een rol hebben gespeeld bij de vaststelling van het totale maandelijkse bedrag dat als alimentatie door de rechter aan belanghebbende is toegekend. Het middel faalt derhalve.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren J.W. van den Berge en A.R. Leemreis, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 26 oktober 2001.