ECLI:NL:HR:2001:AD5041
Hoge Raad
- Cassatie
- E. Korthals Altes
- L. Monné
- P.J. van Amersfoort
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vrijstelling onroerende zaak als kunstwerk voor waardering onroerende zaken
Belanghebbende bezat een onroerende zaak, het ontvangst- en toegangsgebouw voor fietsers en voetgangers bij de veerdienst Breskens-Vlissingen. De waarde van deze zaak werd door het gemeentebestuur vastgesteld op ƒ 940.000 voor de jaren 1997 tot en met 2000. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze beschikking, maar dit werd door het gemeentebestuur gehandhaafd.
Het Hof vernietigde vervolgens deze uitspraak en stelde de waarde van het gebouw op nihil vast, omdat het gebouw als een kunstwerk werd aangemerkt dat onmisbaar is voor het vervoer over de openbare landweg en de veerdienst. Het Hof motiveerde dat het gebouw een vergelijkbare functie heeft als een brug in een verkeersweg en daardoor dienstbaar is aan het verkeer.
B en W van de gemeente Oostburg stelden beroep in cassatie in tegen deze uitspraak. De Hoge Raad oordeelde dat het begrip kunstwerk in de vrijstellingsregeling moet worden uitgelegd aan de hand van het spraakgebruik en voorbeelden als viaducten, bruggen en tunnels. Het Hof had terecht geoordeeld dat het gebouw als kunstwerk kan worden aangemerkt omdat het onmisbaar is voor het functioneren van de openbare landweg en de veerdienst.
De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond, bevestigde het oordeel van het Hof en veroordeelde B en W in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: Het beroep in cassatie van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oostburg wordt ongegrond verklaard en de waarde van het gebouw wordt op nihil vastgesteld.