ECLI:NL:HR:2001:AD5041

Hoge Raad

Datum uitspraak
2 november 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
36562
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • E. Korthals Altes
  • L. Monné
  • P.J. van Amersfoort
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 lid 1 letter d Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet waardering onroerende zaken
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling vrijstelling onroerende zaak als kunstwerk voor waardering onroerende zaken

Belanghebbende bezat een onroerende zaak, het ontvangst- en toegangsgebouw voor fietsers en voetgangers bij de veerdienst Breskens-Vlissingen. De waarde van deze zaak werd door het gemeentebestuur vastgesteld op ƒ 940.000 voor de jaren 1997 tot en met 2000. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze beschikking, maar dit werd door het gemeentebestuur gehandhaafd.

Het Hof vernietigde vervolgens deze uitspraak en stelde de waarde van het gebouw op nihil vast, omdat het gebouw als een kunstwerk werd aangemerkt dat onmisbaar is voor het vervoer over de openbare landweg en de veerdienst. Het Hof motiveerde dat het gebouw een vergelijkbare functie heeft als een brug in een verkeersweg en daardoor dienstbaar is aan het verkeer.

B en W van de gemeente Oostburg stelden beroep in cassatie in tegen deze uitspraak. De Hoge Raad oordeelde dat het begrip kunstwerk in de vrijstellingsregeling moet worden uitgelegd aan de hand van het spraakgebruik en voorbeelden als viaducten, bruggen en tunnels. Het Hof had terecht geoordeeld dat het gebouw als kunstwerk kan worden aangemerkt omdat het onmisbaar is voor het functioneren van de openbare landweg en de veerdienst.

De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond, bevestigde het oordeel van het Hof en veroordeelde B en W in de kosten van het cassatiegeding.

Uitkomst: Het beroep in cassatie van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oostburg wordt ongegrond verklaard en de waarde van het gebouw wordt op nihil vastgesteld.

Uitspraak

Nr. 36.562
2 november 2001
FA
gewezen op het beroep in cassatie van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oostburg (hierna: B en W) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 23 augustus 2000, nr. BK-98/05365, betreffende na te melden ten aanzien van de Staat der Nederlanden vastgestelde beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken.
1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof
Ten aanzien van belanghebbende is bij beschikking de waarde van de onroerende zaak Veerplein 0 te Breskens voor het tijdvak 1 januari 1997 tot en met 31 december 2000 vastgesteld op ƒ 940.000.
Op het door belanghebbende tegen die beschikking gemaakte bezwaar heeft het hoofd van de afdeling Financiën en Interne Zaken van de gemeente Oostburg de beschikking gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft die uitspraak vernietigd en de beschikking gewijzigd in dier voege dat de waarde van de onroerende zaak nader wordt vastgesteld op nihil. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
B en W hebben tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
3. Boordeling van de middelen
3.1. De middelen bestrijden de uitleg die het Hof heeft gegeven aan het begrip "kunstwerken" als bedoeld in artikel 2, lid 1, letter d, van de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet waardering onroerende zaken, hierna ook aan te duiden als: de vrijstelling.
3.2. Bij de beoordeling van de middelen dient het volgende te worden vooropgesteld. De betekenis van het begrip "kunstwerken" is in de wetsgeschiedenis niet toegelicht. Kennelijk is, toen in 1983 de voorloper van de huidige vrijstelling in de gemeentewet werd opgenomen, beoogd aan te sluiten bij de dienovereenkomstige vrijstelling zoals die vóór 1983 in gemeentelijke verordeningen voorkwam. In die verordeningen werden algemeen als voorbeelden van onder de vrijstelling begrepen kunstwerken genoemd viaducten, aquaducten, bruggen, tunnels en sluizen, hetgeen strookt met de betekenis van het woord kunstwerk naar spraakgebruik. Het ligt dan ook voor de hand die voorbeelden en het spraakgebruik ook bij de uitleg van het begrip kunstwerk in de vrijstelling tot uitgangspunt te nemen. Voorts dient daarbij te worden getoetst of het kunstwerk zodanig is verbonden met openbare land- dan wel waterwegen dat het aan het verkeer over die wegen dienstbaar is, en mitsdien nodig is om die wegen als zodanig te kunnen laten functioneren.
3.3. Voorzover de middelen strekken ten betoge dat het Hof een verkeerde uitleg heeft gegeven aan het begrip kunstwerk omdat de onroerende zaak geen enkele functie vervult ten behoeve van het scheepvaartverkeer, berusten zij op een onjuiste lezing van 's Hofs uitspraak. De middelen zien eraan voorbij dat het Hof de onroerende zaak heeft aangemerkt als een bij de openbare landweg (dus niet bij de waterweg) behorend kunstwerk.
Het Hof heeft geoordeeld dat de bij belanghebbende in eigendom en gebruik zijnde onroerende zaken, tezamen vormend het ontvangst- en toegangsgebouw voor fietsers en voetgangers die gebruik maken van de veerdienst Breskens-Vlissingen over de Westerschelde (hierna: het gebouw) dienen te worden aangemerkt als een kunstwerk. Het Hof heeft daartoe redengevend geoordeeld dat het gebouw een met een brug in een verkeersweg vergelijkbare functie vervult omdat het onmisbaar is voor het onderwerpelijke vervoer en het gebouw op zodanige wijze op de openbare landweg is afgestemd dat het daarvan naar de verkeersopvatting deel uitmaakt. Het Hof heeft voorts redengevend geoordeeld dat het gebouw als zodanig dienstbaar is aan het verkeer over de op de veerdienst aansluitende openbare landweg. Het gebouw vormt immers, aldus het Hof, een voor dat verkeer onmisbare schakel tussen de bij het afvaarpunt van het desbetreffende veer eindigende openbare verkeersweg en het veer zelf, dat op zijn beurt weer een onmisbare schakel vormt in de wegverbinding tussen Zeeuws-Vlaanderen en Walcheren.
Gelet op hetgeen hiervoor in 3.2 is overwogen, geeft deze redengeving - anders dan de middelen betogen - geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Als verweven met waarderingen van feitelijke aard, kan zij voor het overige niet op haar juistheid worden getoetst. De middelen bestrijden 's Hofs oordeel derhalve vergeefs.
4. Proceskosten
B en W zullen worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep ongegrond, en
veroordeelt B en W in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op f 1480 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de gemeente Oostburg aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren L. Monné en P.J. van Amersfoort, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 2 november 2001.
Van B en W wordt ter zake van het door hen ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van ƒ 630.