ECLI:NL:HR:2001:AD5104

Hoge Raad

Datum uitspraak
2 november 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
36577
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • D.H. Beukenhorst
  • P.J. van Amersfoort
  • J.W. van den Berge
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 lid 1 letter t Wet op belastingen van rechtsverkeer
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt naheffingsaanslag overdrachtsbelasting ondanks pachtovereenkomst

Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting opgelegd van f 80.730. Na bezwaar handhaafde de Inspecteur deze aanslag. Het Hof vernietigde echter zowel de aanslag als de uitspraak van de Inspecteur. De Staatssecretaris stelde daarop cassatieberoep in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad verwijst naar een eerder arrest (27 juni 2001, nr. 35959) waarin is vastgesteld dat landerijen waarvan de pachtovereenkomst is beëindigd niet als 'afgestane landerijen' kunnen worden beschouwd voor de toepassing van de hervestigingsvrijstelling in artikel 15, lid 1, letter t, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer. Dit verschil in positie tussen pachter en eigenaar rechtvaardigt een verschillende behandeling.

Het eerste middel van de Staatssecretaris wordt gegrond verklaard, waardoor het arrest van het Hof wordt vernietigd, behoudens het gedeelte over het griffierecht. De uitspraak van de Inspecteur wordt bevestigd. Het tweede middel behoeft geen behandeling. De Hoge Raad acht geen gronden aanwezig voor veroordeling in proceskosten.

De zaak betreft de belastingrechtelijke vraag over de toepassing van de hervestigingsvrijstelling bij beëindigde pachtovereenkomsten en bevestigt de strikte uitleg van deze vrijstelling.

Uitkomst: De naheffingsaanslag overdrachtsbelasting wordt bevestigd en het arrest van het Hof vernietigd.

Uitspraak

Nr. 36.577
2 november 2001
FA
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 31 augustus 2000, nr. 98/489, betreffende na te melden aan X te Z opgelegde naheffingsaanslag in de overdrachtsbelasting.
1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is ter zake van de verkrijging van een onroerende zaak een naheffingsaanslag in de overdrachtsbelasting opgelegd ten bedrage van f 80.730, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft die uitspraak alsmede de naheffingsaanslag vernietigd.
2. Geding in cassatie
De Staatssecretaris heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij twee middelen voorgesteld.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van de middelen
Zoals overwogen in het arrest van de Hoge Raad van 27 juni 2001, nr. 35959, gepubliceerd in BNB 2001/331, hebben landerijen ten aanzien waarvan een pachtovereenkomst is beëindigd, niet te gelden als "afgestane landerijen" voor de toepassing van de zogenoemde "hervestigingsvrijstelling" van artikel 15, lid 1, letter t, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer, terwijl voor de toepassing van deze bepaling de positie van een pachter zodanig verschilt van die van een (economisch) eigenaar of zakelijk gerechtigde, dat een verschillende behandeling is gerechtvaardigd.
Het eerste middel wordt derhalve terecht voorgesteld. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Het tweede middel behoeft geen behandeling. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, en
bevestigt de uitspraak van de Inspecteur.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer D.H. Beukenhorst als voorzitter, en de raadsheren P.J. van Amersfoort en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 2 november 2001.