ECLI:NL:HR:2001:AD5333

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 november 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
36926
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • G.J. Zuurmond
  • F.W.G.M. van Brunschot
  • D.G. van Vliet
  • P. Lourens
  • C.B. Bavinck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt zakelijke vergoeding voor bankgarantie in vennootschapsbelastingzaak

Belanghebbende, een vennootschap, was in beroep gegaan tegen een aanslag vennootschapsbelasting over 1989. Na eerdere procedures bij het Gerechtshof Amsterdam en de Hoge Raad werd de zaak verwezen naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage. Dit hof vernietigde de aanslag en stelde een verminderd belastbaar bedrag vast.

Belanghebbende stelde vervolgens cassatieberoep in tegen deze uitspraak. De Hoge Raad beoordeelde het beroep en bevestigde dat bij het bepalen van een zakelijke vergoeding voor het verstrekken van een bankgarantie rekening moet worden gehouden met het risico dat de garantstellende partij loopt. In deze zaak werd een vergoeding van 33% per jaar als zakelijk beoordeeld.

De motiveringsklachten van belanghebbende tegen deze vergoeding faalden, omdat het hof zijn oordeel voldoende had gemotiveerd. De Hoge Raad vond geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten en verklaarde het beroep ongegrond.

Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en vier raadsheren in aanwezigheid van de waarnemend griffier op 9 november 2001.

Uitkomst: Het cassatieberoep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de vergoeding van 33% per jaar voor de bankgarantie wordt als zakelijk bevestigd.

Uitspraak

Nr. 36.926
9 november 2001
FA
gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 16 januari 2001, nr. BK-98/02998, betreffende na te melden aanslag in de vennootschapsbelasting.
1. Aanslag en bezwaar
Aan belanghebbende is voor het jaar 1989 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag naar een belastbaar bedrag van f 1.032.210.
2. Loop van het geding tot dusverre
Belanghebbende is tegen de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Gerechtshof te Amsterdam. De uitspraak van dit hof van 20 mei 1997 is op het beroep van belanghebbende bij arrest van de Hoge Raad van 1 juli 1998, nr. 33475, BNB 1998/309, vernietigd, met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dat arrest.
Het Hof heeft de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd tot een aanslag naar een belastbaar bedrag van f 627.964. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
3. Het tweede geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
4. Beoordeling van het middel
4.1. Het Hof is, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 1 juli 1998, nr. 33475, BNB 1998/309, terecht ervan uitgegaan dat bij het bepalen van een zakelijke vergoeding voor het verstrekken van een bankgarantie door B AG een bedrag in aanmerking dient te worden genomen dat in redelijke verhouding staat tot het door B AG gelopen risico dat zij door de Zwitserse bank zou worden aangesproken indien de T Bank op deze verhaal zou zoeken.
4.2. Het middel richt zich met een aantal motiveringsklachten tegen het oordeel van het Hof dat een vergoeding gelijk aan 33% per jaar van het bedrag waarvoor B AG garant heeft gestaan als zakelijke vergoeding kan worden beschouwd. De afwegingen van feitelijke aard waarop dit oordeel berust, zijn echter niet onbegrijpelijk. Het oordeel is evenmin anderszins ontoereikend gemotiveerd. Het middel faalt derhalve.
5. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
6. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J. Zuurmond als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, D.G. van Vliet, P. Lourens en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.M. van Hooff, en in het openbaar uitgesproken op 9 november 2001.