ECLI:NL:HR:2001:AD5497

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 november 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
1323
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • E. Korthals Altes
  • D.H. Beukenhorst
  • P.J. van Amersfoort
  • A. Hammerstein
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 OnteigeningswetArt. 54a OnteigeningswetArt. 54g OnteigeningswetArt. 54j Onteigeningswet
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt vonnis over schadeloosstelling bij vervroegde onteigening en verwijst terug

De zaak betreft een geschil over de vervroegde onteigening van een perceelsgedeelte van eiser in de gemeente Borsele ten behoeve van de aanleg van de Westerscheldetunnel en bijbehorende infrastructuur. Na benoeming van deskundigen en vervroegde opneming in juni 1998, werd de onteigening gevorderd, maar de rechtbank wees de vordering in mei 2000 af wegens niet-naleving van artikel 17 van Pro de Onteigeningswet.

De Staat dagvaardde opnieuw in juli 2000 en de rechtbank sprak in januari 2001 de vervroegde onteigening uit en gaf opdracht tot schadeloosstelling. Eiser stelde cassatie in tegen dit vonnis. De Hoge Raad oordeelde dat de dagvaarding na het verstrijken van de in artikel 54g Onteigeningswet gestelde termijn was uitgebracht, waardoor de eerdere plaatsopneming buiten beschouwing moest blijven en een nieuwe benoeming van deskundigen en opneming had moeten plaatsvinden.

De Hoge Raad vernietigde daarom het vonnis voor zover het opdracht gaf tot schadeloosstelling en verwees de zaak terug naar de rechtbank Middelburg voor verdere behandeling. De Staat werd veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.

Uitkomst: Het vonnis van de rechtbank werd vernietigd voor zover het opdracht gaf tot schadeloosstelling en de zaak werd terugverwezen voor verdere behandeling.

Uitspraak

Nr. 1323
9 november 2001
JV
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats],
eiser tot cassatie,
advocaat: mr. J.P. van den Berg,
tegen
de Staat der Nederlanden,
zetelende te 's-Gravenhage,
verweerder in cassatie,
advocaat: mr. H.A. Groen.
1. Geding in feitelijke instantie
1.1. Nadat de Arrondissementsrechtbank te Middelburg bij beschikking van 25 mei 1998 op daartoe strekkend verzoek van de Staat op de voet van artikel 54a van de Onteigeningswet een rechter-commissaris en drie deskundigen had benoemd, heeft op 15 en 23 juni 1998 de vervroegde opneming plaatsgevonden van het in het Koninklijk Besluit van 8 juli 1998, nr. 98.003517, Stcrt. 23 juli 1998, 137, ter onteigening aangewezen gedeelte van de onroerende zaak, kadastraal bekend Gemeente Borsele, sectie [...], nummer [...] (welk perceelsgedeelte thans is genummerd [...]), van welk perceel [eiser] als eigenaar is aangewezen.
1.2. Bij exploit van 22 september 1998 heeft de Staat [eiser] doen dagvaarden voor de Rechtbank en ten behoeve van het maken van de Westerscheldetunnel, tunneltoerit en toeleidende weg, gelegen tussen de Frankrijkweg (Sloegebied) en de Zeedijk nabij Ellewoutsdijk, met bijkomende werken, in de gemeente Borsele, ten algemene nutte en te zijnen name gevorderd de vervroegd uit te spreken onteigening van (onder meer) het vermelde perceelsgedeelte, en vaststelling van de schadeloosstelling. Bij vonnis van 24 mei 2000 heeft de Rechtbank die vordering afgewezen, omdat niet was voldaan aan de eis van artikel 17 van Pro de Onteigeningswet.
1.3. Bij exploit van 6 juli 2000 heeft de Staat [eiser] opnieuw doen dagvaarden en gevorderd als onder 1.2 vermeld.
1.4. Bij het thans bestreden vonnis van 10 januari 2001 heeft de Rechtbank, voorzover thans van belang, de gevorderde onteigening bij vervroeging uitgesproken en de bij beschikking van 25 mei 1998 benoemde deskundigen opgedragen om de schadeloosstelling voor [eiser] te begroten. Het bestreden vonnis is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
2.1. [eiser] heeft het vonnis van 10 januari 2001 bestreden met een middel van cassatie. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2.2. De Staat heeft zich aan het oordeel van de Hoge Raad gerefereerd.
2.3. De Advocaat-Generaal J.W. Ilsink heeft op 13 juli 2001 geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis voorzover daarin opdracht is gegeven aan de bij beschikking van 25 mei 1998 benoemde deskundigen om de schadeloosstelling te begroten, en tot terugwijzing van het geding ter verdere behandeling en beslissing van de zaak.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Uit het hiervoor onder 1 vermelde verloop van het geding blijkt dat de het onderhavige geding inleidende dagvaarding van 6 juli 2000 is uitgebracht na het verstrijken van de in artikel 54g van de Onteigeningswet gestelde termijn van twee maanden na de vervroegde plaatsopneming op 15 en 23 juni 1998, dan wel de openbaarmaking van het onder 1.1 vermelde Koninklijk Besluit.
3.2. Zoals volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 2 april 1997, nr. 1231, NJ 1997, 730, kan na het verstrijken van de in artikel 54g van de Onteigeningswet genoemde termijn weliswaar (opnieuw) een dagvaarding tot vervroegd uit te spreken onteigening worden uitgebracht, maar dient in een dergelijk geval de vóór de aanvang van het geding geschiede plaatsopneming buiten beschouwing te blijven, zodat opnieuw een opneming op de voet van artikel 54j van de Onteigeningswet door een of meer door de Rechtbank te benoemen deskundigen zal moeten plaats hebben. Het middel voert dan ook terecht aan dat de Rechtbank na het verstrijken van de vermelde termijn met toepassing van artikel 54j, lid 1, van de Onteigeningswet opnieuw een rechter-commissaris en deskundigen had moeten benoemen en een opneming door deskundigen had moeten bepalen. Het middel slaagt derhalve.
3.3. Het vonnis van de Rechtbank kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt het vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Middelburg van 10 januari 2001, doch uitsluitend voorzover daarin opdracht is gegeven aan de bij beschikking van 25 mei 1998 benoemde deskundigen om de schadeloosstelling te begroten,
verwijst het geding ter verdere behandeling en beslissing naar de Rechtbank te Middelburg, en
veroordeelt de Staat in de kosten van het geding in cassatie, tot aan dit arrest aan de zijde van [eiser] begroot op f 673,93 aan verschotten en f 3500 voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren D.H. Beukenhorst en P.J. van Amersfoort, en door de raadsheer A. Hammerstein uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 november 2001.