Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2001:AD6055

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 november 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
36591
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • E. Korthals Altes
  • L. Monné
  • P.J. van Amersfoort
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling waardering onroerende zaak met verontreinigde grond voor belastingdoeleinden

Belanghebbende betwistte de vastgestelde waarde van een onroerende zaak gelegen aan a-straat 1 te Q, gemeente P, die was vastgesteld op ƒ 2.669.000 en later door het college van burgemeester en wethouders verlaagd tot ƒ 1.603.000. Het Hof bevestigde deze waardering. De ondergrond van het perceel was vroeger een vuilstortterrein, waarop later een golfbaan werd aangelegd, zonder dat de provincie plannen had tot sanering.

Belanghebbende voerde motiveringsklachten aan tegen het oordeel van het Hof, dat het risico op toekomstige saneringskosten niet zodanig hoog achtte dat de waarde van de grond negatief zou moeten zijn. De Hoge Raad oordeelde dat dit een feitelijke waardering betrof die niet onbegrijpelijk was en geen nadere motivering behoefde.

De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond en wees een veroordeling in proceskosten af. Hiermee werd bevestigd dat bij de waardering van de onroerende zaak de gecorrigeerde vervangingswaarde moet worden gehanteerd en dat de verontreiniging niet automatisch leidt tot een negatieve waardering van de grondcomponent.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het arrest van het Hof bevestigd.

Uitspraak

Nr. 36.591
23 november 2001
FA
gewezen op het beroep in cassatie van X BV te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 25 augustus 2000, nr. 99/2043 betreffende na te melden beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken.
1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof
Ten aanzien van belanghebbende is bij beschikking de waarde van de onroerende zaak a-straat 1 te Q, gemeente P, voor het tijdvak 1 januari 1997 tot en met 31 december 2000 vastgesteld op ƒ 2.669.000 .
Op het door belanghebbende tegen die beschikking gemaakte bezwaar heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente P de waarde nader vastgesteld op ƒ 1.603.000.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van de klachten
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
De ondergrond van de onroerende zaak waarvan belanghebbende erfpachter is, was vroeger in gebruik als vuilstortterrein. Aan het eind van de tachtiger jaren is het storten van vuil op het terrein gestaakt, en vervolgens is een golfbaan aangelegd. De provincie heeft geen plannen om het terrein te saneren.
3.2. Het Hof heeft, na te hebben vastgesteld - in cassatie niet bestreden - dat de waardebepaling van de onroerende zaak moet plaatsvinden naar de gecorrigeerde vervangingswaarde en dat de gecorrigeerde vervangingswaarde van de overige bestanddelen van de onroerende zaak niet in geschil is, geoordeeld dat de verontreiniging van de grond van zodanige aard is dat het op te offeren bedrag bij vervanging van de grond door grond welke in vergelijkbare staat verkeert, niet minder dan nihil zal bedragen.
3.3. Belanghebbende bestrijdt dit oordeel met
motiveringsklachten. De klachten falen. In 's Hofs uitspraak valt niet te lezen dat het Hof het risico dat er ooit (hoge) saneringskosten moeten worden gemaakt, buiten beschouwing heeft gelaten. Het Hof heeft echter kennelijk dat risico niet zo hoog gewaardeerd dat daardoor de bij de bepaling van de vervangingswaarde van de onroerende zaak op de peildatum in aanmerking te nemen waarde van de grond minder dan nihil bedraagt. Dat oordeel is van feitelijke aard, niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering dan gegeven, zodat het in cassatie niet met vrucht kan worden bestreden.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren L. Monné en P.J. van Amersfoort, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 23 november 2001.