ECLI:NL:HR:2001:AD6098
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H.J. Mijnssen
- R. Herrmann
- H.A.M. Aaftink
- A.G. Pos
- O. de Savornin Lohman
- A. Hammerstein
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering bankgarantie als zekerheid in kort geding wegens ontbreken wettelijke of contractuele grondslag
In deze zaak vorderde eiser in kort geding dat verweerster werd bevolen binnen twee dagen zekerheid te stellen door middel van een bankgarantie ter waarde van ƒ 1.200.000,--, met een dwangsom bij niet-naleving. De rechtbank wees deze vordering af, en het hof bekrachtigde dit vonnis. Eiser stelde vervolgens beroep in cassatie in tegen het arrest van het hof.
De Hoge Raad oordeelde dat er geen wettelijke verplichting bestaat voor verweerster om een bankgarantie te stellen, noch dat partijen een overeenkomst hebben gesloten die dit voorschrijft. De bankgarantie is geen dwangmiddel dat het burgerlijk recht kent en strekt ertoe de gelijkheid van schuldeisers te doorbreken, hetgeen niet is toegestaan zonder wettelijke grondslag.
Eiser voerde meerdere middelen aan, waaronder een beroep op artikel 6:2 BW Pro en een analogie met artikel 6:105 BW Pro, doch deze werden verworpen. De Hoge Raad bevestigde dat het stellen van zekerheid via een bankgarantie niet kan worden afgedwongen zonder contractuele of wettelijke basis. Het beroep werd verworpen en eiser werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat er geen verplichting bestaat tot het stellen van een bankgarantie zonder wettelijke of contractuele grondslag.