ECLI:NL:HR:2001:AD7286
Hoge Raad
- Cassatie
- E. Korthals Altes
- L. Monné
- J.W. van den Berge
- A. Hammerstein
- Rechtspraak.nl
Cassatie over niet-ontvankelijkheid van beroep inzake onteigening voor de aanleg van de Hogesnelheidslijn-Zuid
In deze zaak gaat het om een cassatieberoep van [Eiser 1] en Zuidnederlandse Investeringsmaatschappij B.V. i.o. tegen een vonnis van de Rechtbank te Breda, waarin hen als tussenkomende partijen zijn toegelaten in een geding tot onteigening. De Staat der Nederlanden had eerder [verweerder 2] gedagvaard voor de aanleg van een gedeelte van de Hogesnelheidslijn-Zuid en de verbreding van de weg Rotterdam-Dordrecht-Breda-Belgische grens. De rechtbank heeft op 28 november 2000 geoordeeld dat de eisers als tussenkomende partijen in het geding konden worden toegelaten, maar heeft zich verder gereserveerd voor een beslissing.
De eisers hebben het vonnis van de rechtbank bestreden met een cassatieberoep. De Hoge Raad heeft in deze zaak geoordeeld dat het vonnis van de rechtbank niet als eindvonnis kan worden aangemerkt, omdat het verzoek tot voeging niet definitief is. Hierdoor is de Hoge Raad van mening dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De Advocaat-Generaal had eerder geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van het beroep, wat de Hoge Raad heeft overgenomen.
De Hoge Raad heeft in zijn uitspraak de eisers veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie, die zijn begroot op ƒ 632,20 aan verschotten en ƒ 3000 voor salaris. Deze uitspraak is gedaan op 14 december 2001, waarbij de betrokken rechters de beslissing hebben uitgesproken in een openbare terechtzitting.