ECLI:NL:HR:2001:AD7286

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 december 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
1318
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • E. Korthals Altes
  • L. Monné
  • J.W. van den Berge
  • A. Hammerstein
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over niet-ontvankelijkheid van beroep inzake onteigening voor de aanleg van de Hogesnelheidslijn-Zuid

In deze zaak gaat het om een cassatieberoep van [Eiser 1] en Zuidnederlandse Investeringsmaatschappij B.V. i.o. tegen een vonnis van de Rechtbank te Breda, waarin hen als tussenkomende partijen zijn toegelaten in een geding tot onteigening. De Staat der Nederlanden had eerder [verweerder 2] gedagvaard voor de aanleg van een gedeelte van de Hogesnelheidslijn-Zuid en de verbreding van de weg Rotterdam-Dordrecht-Breda-Belgische grens. De rechtbank heeft op 28 november 2000 geoordeeld dat de eisers als tussenkomende partijen in het geding konden worden toegelaten, maar heeft zich verder gereserveerd voor een beslissing.

De eisers hebben het vonnis van de rechtbank bestreden met een cassatieberoep. De Hoge Raad heeft in deze zaak geoordeeld dat het vonnis van de rechtbank niet als eindvonnis kan worden aangemerkt, omdat het verzoek tot voeging niet definitief is. Hierdoor is de Hoge Raad van mening dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De Advocaat-Generaal had eerder geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van het beroep, wat de Hoge Raad heeft overgenomen.

De Hoge Raad heeft in zijn uitspraak de eisers veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie, die zijn begroot op ƒ 632,20 aan verschotten en ƒ 3000 voor salaris. Deze uitspraak is gedaan op 14 december 2001, waarbij de betrokken rechters de beslissing hebben uitgesproken in een openbare terechtzitting.

Uitspraak

Nr. 1318
14 december 2001
RP
in de zaak van
1. [Eiser 1],
wonende te [woonplaats] (België),
2. Zuidnederlandse Investeringsmaatschappij B.V. i.o.,
gevestigd te Eindhoven,
eisers tot cassatie,
advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens,
tegen
de Staat der Nederlanden,
waarvan de zetel is gevestigd te 's-Gravenhage,
verweerder in cassatie,
advocaat: mr. H.A. Groen,
en
[verweerder 2],
wonende te [woonplaats],
verweerder in cassatie,
niet verschenen.
1. Geding in feitelijke instantie
1.1. De Staat heeft bij exploit van 22 september 2000 [verweerder 2] doen dagvaarden voor de Arrondissementsrechtbank te Breda en ten behoeve van de aanleg van een in de dagvaarding nader omschreven gedeelte van de Hogesnelheidslijn-Zuid en van de verbreding en verlegging van de weg Rotterdam-Dordrecht-Breda-Belgische grens (rijksweg 16), in de gemeenten Moerdijk en Drimmelen, gevorderd de vervroegd uit te spreken onteigening ten name van de Staat van de volgende perceelgedeelten: kadastraal bekend gemeente [...], sectie [...], nummer [...], ter grootte van 2 ha, 44 a en 65 ca (grondplannummer [A]), kadastraal bekend gemeente [...], sectie [...], nummer [...], ter grootte van 2 ha en 22 a (grondplannummer [B]) en kadastraal bekend gemeente [...], sectie [...], nummer [...], ter grootte van 5 ha, 89 a en 30 ca (grondplannummer [C]).
1.2. [Eiser 1] en Zuidnederlandse Investeringsmaatschappij B.V. i.o. hebben vervolgens om tussenkomst en voeging in het geding verzocht.
1.3. Bij vonnis van 28 november 2000 heeft de Rechtbank in het incident [eiser 1] en Zuidnederlandse Investeringsmaatschappij B.V. i.o. toegelaten als tussenkomende partijen in het in de hoofdzaak aanhangige geding tot onteigening, de zaak verwezen naar een rolzitting voor akte na tussenvonnis aan de zijde van de Staat en zich elke verdere beslissing gereserveerd. Het vonnis is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
2.1. [Eiser 1] en Zuidnederlandse Investerings-maatschappij B.V. i.o. hebben het vonnis van 28 november 2000 met een middel van cassatie bestreden. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2.2. De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2.3. Eisers en de Staat hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten door hun advocaten.
2.4. De Advocaat-Generaal J.W. Ilsink heeft op 28 september 2001 geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
3. De ontvankelijkheid van het cassatieberoep
[Eiser 1] en Zuidnederlandse Investerings-maatschappij B.V. i.o. hebben de rechtbank in het incident verzocht tot tussenkomst en tot voeging in het geding tot onteigening. De rechtbank heeft hen bij vonnis van 28 november 2000 als tussenkomende partij in het rechtsgeding toegelaten. Bij dat vonnis heeft de rechtbank de zaak verder verwezen naar een rolzitting en zich elke verdere beslissing voorbehouden. Nu dit vonnis wat het verzoek tot voeging betreft, niet een eindvonnis is, zal de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaren.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk;
veroordeelt eisers in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op ƒ 632,20 aan verschotten en op ƒ 3000 voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren L. Monné en J.W. van den Berge, en door de raadsheer A. Hammerstein uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 december 2001.