ECLI:NL:HR:2001:ZC3642

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 september 2001
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
C00/229HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • F.H.J. Mijnssen
  • J.B. Fleers
  • H.A.M. Aaftink
  • A. Hammerstein
  • P.C. Kop
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 NOB-voorwaardenArt. 3:238 BWArt. 7:421 BWArt. 7:424 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt arrest over pandrecht en retentierecht op Trustrekening bij faillissement

In deze zaak gaat het om de vraag of eiseres een pandrecht of retentierecht kan doen gelden op het saldo van een Trustrekening die is ingesteld in het kader van een faillissement van Safari Holding B.V. en haar dochtermaatschappijen. Eiseres had een Physical Distribution Basisovereenkomst (PD-overeenkomst) met Safari Holding B.V. gesloten, waarop de NOB-voorwaarden van toepassing zijn, waaronder een pandrecht voor de physical distributor op de zaken die zij onder zich heeft.

Na het verlenen van voorlopige surséance van betaling en het faillissement van Safari Holding B.V. en haar dochters, ontstond een geschil over het saldo van de Trustrekening. De curator vorderde dat eiseres geen pand- of retentierecht kon uitoefenen en dat het saldo naar de boedelrekening moest worden overgeboekt. De rechtbank en het hof wezen de vorderingen van eiseres af en bevestigden het recht van de curator.

De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof wegens onvoldoende motivering, onder meer omdat het hof niet heeft ingegaan op het bewijsaanbod van eiseres en de stelling dat de PD-overeenkomst was beëindigd bij de totstandkoming van de Trustregeling. Ook is onvoldoende gemotiveerd waarom de dochtermaatschappijen niet als partij bij de overeenkomst worden beschouwd. De zaak wordt verwezen naar een ander hof voor verdere behandeling en beslissing.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak naar een ander gerechtshof voor verdere behandeling.

Uitspraak

7 september 2001
Eerste Kamer
Nr. C00/229HR
AP
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [Eisereres 1].,
2. [Eiseres 2],
3. [Eiseres 3],
allen gevestigd te [vestigingsplaats],
EISERESSEN tot cassatie,
advocaat: mr. R.S. Meijer,
t e g e n
Mr. Thomas Petrus Wilhelmus Marie KAMPHUISEN Q.Q., in zijn hoedanigheid van curator in de faillissementen van de besloten vennoot-schappen
a.) Safari Holding B.V.,
b.) B.V. Safari en
c.) Safari Special Products B.V.,
wonende te Breda,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. G. Snijders.
1. Het geding in feitelijke instanties
Verweerder in cassatie - verder te noemen: de curator - heeft bij exploit van 2 mei 1997 eiseressen tot cassatie - verder gezamenlijk te noemen: [eiseres] - gedagvaard voor de Rechtbank te Roermond en gevorderd:
a. te verklaren voor recht, dat [eiseres] geen pandrecht noch retentierecht kan doen gelden met betrekking tot het saldo van de Trustrekening;
b. [eiseres] te veroordelen om te gehengen en te gedogen dat het saldo van de Trustrekening wordt overgeboekt naar de boedelrekening teneinde samengevoegd te worden met het reeds aanwezige saldo van die rekening ter uitdeling aan de gezamenlijke crediteuren.
[Eiseres] heeft de vordering bestreden en in reconventie gevorderd de curator te veroordelen om het saldo van de Trustrekening aan [eiseres] uit te betalen met alle over dit saldo ontvangen en nog van de bank te ontvangen rente, onder verbeurte van een dwangsom. Bij conclusie van repliek in reconventie heeft [eiseres] tevens een verklaring voor recht gevorderd dat Safari Holding B.V., B.V. Safari en Safari Special Products B.V. hoofdelijk aansprakelijk zijn jegens [eiseres] voor de schade ten gevolge van de voor-tijdige beëindiging van de P.D.-overeenkomst ("schade-claim").
De curator heeft deze vorderingen bestreden.
De Rechtbank heeft bij vonnis van 5 november 1998 in conventie:
a. voor recht verklaard dat [eiseres] geen pandrecht noch retentierecht kan doen gelden met betrekking tot het saldo van de Trustrekening;
b. [eiseres] veroordeeld te gedogen dat het saldo van de Trustrekening wordt overgeboekt naar de boedelrekening ter uitdeling aan de gezamenlijke crediteuren;
en in reconventie het verzoek van [eiseres] afgewezen.
Tegen dit vonnis heeft [eiseres] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch. [Eiseres] heeft ge-vorderd het vonnis van de Rechtbank te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, alsnog de vordering in conventie af te wijzen en in reconventie de curator te veroordelen om binnen 72 uur na betekening van het arrest het saldo van de Trustrekening uit te betalen aan [eiseres] met de verval-len rente daarover, onder verbeurte van een dwangsom, en te verklaren voor recht dat de drie Safari-vennootschappen hoofdelijk aansprakelijk zijn jegens [eiseres] voor de schade als gevolg van de voortijdige beëindiging van de PD-overeenkomst.
Bij arrest van 27 april 2000 heeft het Hof het bestreden vonnis onder aanvulling van gronden bekrachtigd.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het Hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De curator heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar een ander Gerechtshof ter verdere behandeling.
De advocaat van [eiseres] heeft bij brief van 8 mei 2001 op deze conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende.
(i) In juli 1995 hebben, in ieder geval, Safari Holding B.V. als opdrachtge[eiseres 1]thans) [eiseres 1] - onderscheidenlijk de door haar aan te wijzen dochtermaatschappijen - een opslag- en distributieovereenkomst, door partijen aangeduid als Physical Distribution Basisovereenkomst (verder: PD-overeenkomst), gesloten met een initiële looptijd van 10 jaren. De PD-overeenkomst voorzag in de uitbesteding door Safari Holding B.V. aan [eiseres 1] van onder meer de goederenopslag, fysieke handling, transport en expeditie van haar producten.
(ii) Op deze overeenkomst zijn de Physical Distribution Voorwaarden van de Nationale Organisatie van het Beroepsgoederenvervoer (verder: NOB-voorwaarden) van toepassing.
(iii) Krachtens art. 14 van Pro de NOB-voorwaarden heeft de "physical distributor" het recht zaken terug te houden totdat zijn vorderingen zijn voldaan en heeft hij een pandrecht op de zaken die hij onder zich heeft, voor alle vorderingen die hij ten laste van de opdrachtgever of van de eigenaar heeft.
(iv) Op 15 maart 1996 is aan Safari Holding B.V. en haar dochtermaatschappijen voorlopige surséance van betaling verleend. Op deze datum bevond zich het overgrote deel van de voorraden gereed product en verpakkingen in de door [eiseres 1] c.s. gehuurde c.q. aan haar toebehorende loodsen.
(v) Mr. Kamphuisen - thans de curator - is benoemd tot bewindvoerder in voormelde surséance. Terstond hebben zo-wel de bank MeesPierson als [eiseres 1] zich tot hem ge-wend met de melding dat zij een pandrecht c.q. retentie-recht op de voorraden pretendeerden. Tussen hen is een driepartijenovereenkomst gesloten op 15/16 maart 1996, Trustregeling genaamd, op grond waarvan zij zich verplichtten mee te werken aan het zo snel mogelijk uitleveren van de voorraden aan de afnemers. De afnemers dienden te betalen op een speciaal voor dit doel geopende bankrekening, door partijen aangeduid als de Trustrekening.
(vi)Op 10 mei 1996 zijn Safari Holding B.V. en haar dochtermaatschappijen in staat van faillissement verklaard met benoeming van de curator als zodanig.
(vii) Van de Trustrekening heeft de curator aan [eiseres] betaald het bedrag van ƒ 1.804.824,74, waarna een saldo overbleef van ƒ 1.338.261,26. Alle vorderingen van [eiseres] ter zake van haar werkzaamheden zijn door deze betaling voldaan. De bank MeesPierson is op andere wijze voldaan.
3.2 De curator heeft een verklaring voor recht gevorderd inhoudend dat [eiseres] pandrecht noch retentierecht kan doen gelden op het, in 3.1 onder (vii) vermelde, saldo van de Trustrekening en hij heeft gevorderd dat [eiseres] zal gedogen dat dit saldo wordt overgemaakt naar de boedelrekening. In reconventie heeft [eiseres] uitbetaling gevorderd van het saldo van deze rekening in verband met een door haar gepretendeerde vordering tot schadevergoeding wegens voortijdige beëindiging van de PD-overeenkomst. De Rechtbank heeft de vorderingen van de curator toegewezen en de vorderingen van [eiseres] afgewezen. Het Hof heeft het vonnis van de Rechtbank bekrachtigd.
3.3 Het Hof heeft (in rov. 4.3) onder meer overwogen dat het pandrecht van [eiseres] op grond van het bepaalde in art. 14 van Pro de NOB-voorwaarden is gevestigd ten behoeve van alle vorderingen van [eiseres], doch dat daarin niet kan worden begrepen de toekomstige vordering tot schadever-goeding wegens het beëindigen van de PD-overeenkomst, nu deze vordering eerst later is opgeëist. Volgens het Hof was er op het moment van het totstandkomen van de Trustregeling nog geen vordering te dier zake en was er ook overigens niet een voldoende bepaalbare vordering. In rov. 4.4 heeft het Hof vervolgens het standpunt van [eiseres] verworpen dat de Safari-vennootschappen hoofdelijk aan-sprakelijk waren voor de schade. Het Hof heeft daarbij, kort samengevat, het volgende overwogen. De PD-overeenkomst is gesloten met Safari Holding B.V. en niet aannemelijk is dat hier sprake is van een vergissing, terwijl ook de overige omstandigheden geen aanleiding ge-ven tot een ander oordeel. De erkenning door de curator in de Trustregeling van het pandrecht namens de Safari-vennootschappen berust op een dwaling. Ten slotte is vol-gens het Hof niet gebleken dat Safari Holding B.V. als lasthebster van haar dochtermaatschappijen is opgetreden. In rov. 4.5 heeft het Hof geoordeeld dat [eiseres] geen retentierecht kan uitoefenen, omdat er onvoldoende samenhang is tussen haar verplichting tot afgifte van de zaken en haar vordering tot schadevergoeding.
3.4.1 De onderdelen 1 tot en met 3 van het middel hebben betrekking op het pandrecht.
3.4.2 Onderdeel 1c klaagt terecht dat het Hof zonder toe-reikende motivering is voorbijgegaan aan de stelling van [eiseres] dat de PD-overeenkomst laatstelijk werd beëindigd met de totstandkoming van de Trustregeling. [eiseres] heeft immers gesteld dat er ernstige betalingsachterstanden waren en dat haar van de zijde van Safari was meegedeeld dat Safari niet langer in staat was aan haar betalingsverplichtingen te voldoen, in verband waarmee [eiseres] bij brief van 12 maart 1996 haar verplichtingen uit hoofde van de PD-overeenkomst had opgeschort. Zonder motivering, die ontbreekt, is niet begrijpelijk waarom het Hof deze stellingen niet van belang heeft geacht. Indien het Hof heeft bedoeld dat nog geen sprake kon zijn van een (toekomstige) vordering tot schadevergoeding, omdat [eiseres] de PD-overeenkomst niet had opgezegd, is dit oordeel zonder nadere redengeving, die evenwel ontbreekt, evenmin be-grijpelijk. Ook voordat de PD-overeenkomst was opgezegd, bestond immers de mogelijkheid dat [eiseres] reeds vóór de uitwinning van de voorraden een vordering had tot vergoeding van schade.
3.4.3 Nu onderdeel 1c slaagt, behoeven de overige klachten van onderdeel 1 geen bespreking.
3.4.4 Onderdeel 2a klaagt onder (iii) dat het Hof zonder enige motivering is voorbijgegaan aan het aanbod van [eiseres] te bewijzen dat het niet vermelden van de dochtermaatschappijen van Safari Holding B.V. in de PD-overeenkomst uitsluitend berust op een vergissing en dat dit in de gegeven omstandigheden voldoende duidelijk moet zijn geweest. Deze klacht treft doel. Nu [eiseres] op dit punt een uitdrukkelijk bewijsaanbod had gedaan en zonder nadere, ontbrekende, motivering niet duidelijk is waarom dit aanbod niet ter zake dienend is, heeft het Hof onvoldoende inzicht gegeven in zijn gedachtengang en is het passeren van het bewijsaanbod niet naar de eis der wet gemotiveerd.
3.4.5 Onderdeel 2b behoeft geen behandeling. Indien na verwijzing komt vast te staan dat de dochtermaatschappijen van Safari Holding B.V. partij waren bij de PD-overeenkomst, is zonder belang of de desbetreffende erkenning door de curator in de Trustregeling op dwaling berust. Indien zulks niet zou komen vast te staan, heeft [eiseres] evenmin belang bij de klacht, omdat deze erkenning geen pandrecht op de aan de dochtermaatschappijen toebehorende zaken kon doen ontstaan.
3.4.6 Onderdeel 2c heeft betrekking op het subsidiaire standpunt van [eiseres] dat - ingeval aangenomen wordt dat de beide Safari-dochtermaatschappijen geen partij zijn bij de PD-overeenkomst - Safari Holding B.V. deze overeenkomst heeft gesloten op eigen naam als lasthebster van haar dochtermaatschappijen. Het onderdeel bevat aller-eerst (i) de klacht dat het bestreden oordeel van het Hof onvoldoende is gemotiveerd, nu daarin niet kenbaar is gerespondeerd op de deugdelijk onderbouwde stelling van [eiseres] te dier zake. Voorts klaagt het onderdeel (ii) dat het Hof ongemotiveerd is voorbijgegaan aan het beroep van [eiseres] op de schakelbepaling van art. 7:424 BW Pro (in verbin-ding met art. 7:421). Ten slotte voert het onderdeel aan (iii) dat het Hof heeft miskend dat het feit dat moeder-maatschappijen aan dochtermaatschappijen instructies plegen te geven, niet aan het bestaan van de gestelde (quasi)lastgeving in de weg behoeft te staan. Deze laatste klacht is gegrond, doch kan niet tot cassatie leiden. Het Hof heeft klaarblijkelijk in het voetspoor van het oordeel van de Rechtbank aangenomen dat [eiseres] onvoldoende feiten heeft gesteld op grond waarvan kan worden aangenomen dat sprake is geweest van lastgeving van de dochtermaatschappijen aan Safari Holding B.V. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering, zodat klacht (i) faalt. Bij klacht (ii) heeft [eiseres] geen belang, nu het Hof haar beroep op de schakel-bepaling van art. 7:424 slechts Pro had kunnen verwerpen. [eiseres] heeft immers in de feitelijke instanties niets gesteld waaruit kan volgen dat de prestatie waartoe Safari jegens haar gehouden was, overeenkwam met de prestatie waartoe de Safari-dochtermaatschappijen gehouden waren.
3.4.7 Onderdeel 3 keert zich tegen de verwerping van grief IX die betrekking heeft op de vraag of [eiseres] een beroep kan doen op haar goede trouw als bedoeld in art. 3:238 BW Pro. Nu het Hof deze grief heeft verworpen door te verwijzen naar hetgeen eerder is overwogen, treft dit onderdeel door het slagen van de onderdelen 1c, 2a en 2c (iii) eveneens doel.
3.5 Onderdeel 4 heeft betrekking op het retentierecht dat [eiseres] geldend wil maken. [Eiseres] mist op grond van het navolgende belang bij alle klachten van dit onderdeel.
De Rechtbank heeft overwogen dat indien en voor zover [eiseres] ten aanzien van de voorraden een retentierecht kon doen gelden, dit recht teniet is gegaan door de uit-levering van deze voorraden aan derden. Tegen dit oordeel heeft [eiseres] als grief aangevoerd dat zij op het moment van het totstandkomen van de Trustregeling een retentie-recht kon doen gelden op de voorraden die zich toen in haar macht bevonden. Nu zulks in de verdere instanties feitelijk is vastgesteld, moet in cassatie ervan worden uitgegaan dat de Trustregeling het beding inhoudt dat de uitlevering van de voorraden aan afnemers zou geschieden ten titel van koop in het kader van de uitwinning van het pandrecht van [eiseres].
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt het arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 27 april 2000;
verwijst het geding naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing;
veroordeelt de curator in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] begroot op ƒ 872,98 aan verschotten en ƒ 3.500,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H.J. Mijnssen als voorzitter en de raadsheren J.B. Fleers, H.A.M. Aaftink, A. Hammerstein en P.C Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 7 september 2001.