ECLI:NL:HR:2001:ZC3685

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 oktober 2001
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
C00/038HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • P. Neleman
  • A.E.M. van der Putt-Lauwers
  • P.C. Kop
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 101a RO
Verwijzingen
1 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatigheid van valselijke aangifte wegens feitelijke aanranding en schadevergoeding

De man heeft de vrouw gedagvaard wegens het valselijk doen van aangifte van feitelijke aanranding, wat volgens hem onrechtmatig jegens hem was. De rechtbank wees de vordering af, en het Gerechtshof te 's-Gravenhage bekrachtigde dit vonnis. De man stelde vervolgens beroep in cassatie in tegen het arrest van het hof.

De vrouw verscheen niet in cassatie, waardoor verstek tegen haar werd verleend. De Advocaat-Generaal adviseerde het cassatieberoep te verwerpen en de man te veroordelen in de kosten, maar deze kosten werden aan de zijde van de vrouw op nihil begroot.

De Hoge Raad oordeelde dat de in cassatie aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat het valselijk doen van aangifte door de vrouw jegens de man onrechtmatig was. De vrouw werd veroordeeld tot vergoeding van de door de man geleden schade en de proceskosten.

Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 12 oktober 2001.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de onrechtmatigheid van de valselijke aangifte met veroordeling tot schadevergoeding.

Uitspraak

12 oktober 2001
Eerste Kamer
Nr. C00/038HR
NS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[De man], wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. drs. R. Müller,
t e g e n
[De vrouw], wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiser tot cassatie - verder te noemen: de man - heeft bij exploit van 27 november 1996 verweerster in cassatie - verder te noemen: de vrouw - gedagvaard voor de Rechtbank te 's-Gravenhage en gevorderd:
1. te verklaren voor recht, dat het valselijk aangifte doen door de vrouw, als zou de man zich hebben schuldig gemaakt aan feitelijke aanranding van een of meer personen, jegens de man onrechtmatig is geweest;
2. de vrouw te veroordelen om aan de man te vergoeden de schade, die de man heeft geleden door het jegens hem onrechtmatig handelen van de vrouw, ad ƒ 25.000,--;
3. de vrouw te veroordelen in de kosten van het geding en in de kosten, die de man heeft moeten maken voor buitengerechtelijke juridische bijstand ad ƒ 1.500,--.
De vrouw heeft de vordering bestreden.
De Rechtbank heeft bij vonnis van 12 november 1997 de vordering afgewezen.
Tegen dit vonnis heeft de man hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage.
Bij arrest van 16 september 1999 heeft het Hof het vonnis waarvan beroep bekrachtigd.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het Hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding en het herstelexploit zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Tegen de vrouw is verstek verleend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.B. Bakels strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 101a RO en met veroordeling van de man in de kosten, aan de zijde van de vrouw te begroten op nihil.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beant-woording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt de man in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de vrouw begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 12 oktober 2001.