ECLI:NL:HR:2001:ZD2353
Hoge Raad
- Cassatie
- W.J.M. Davids
- A.M.M. Orie
- B.C. de Savornin Lohman
- Rechtspraak.nl
Vermindering geldboete wegens overschrijding redelijke termijn in strafzaak antiekhandelaar
De zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte, een antiekhandelaar, die veroordeeld werd wegens het niet onverwijld aantekenen in een register van alle door hem gekochte goederen en de identiteitsgegevens van de verkopers. De Rechtbank te 's-Gravenhage legde hem twee maanden hechtenis en een geldboete van vijfduizend gulden op, subsidiair vijftig dagen hechtenis.
De verdachte stelde cassatie in tegen dit vonnis. De Advocaat-Generaal concludeerde dat alleen de strafoplegging vernietigd moest worden vanwege een overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM. De Hoge Raad oordeelde dat tussen het moment van conversie van het hoger beroep in cassatie en ontvangst van de stukken bij de Hoge Raad meer dan negen maanden waren verstreken zonder bijzondere omstandigheden die dit rechtvaardigen.
De Hoge Raad vernietigde daarom de strafoplegging en verminderde de geldboete en vervangende hechtenis tot ƒ 4500,- en 45 dagen, terwijl de opgelegde hechtenis van twee maanden gehandhaafd bleef. Het beroep werd voor het overige verworpen. De Hoge Raad verwierp tevens het verweer dat de overschrijding van de redelijke termijn aan de verdachte toe te rekenen zou zijn.
Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 20 maart 2001.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de geldboete en vervangende hechtenis vanwege overschrijding van de redelijke termijn, handhaaft de hechtenis en verwerpt het beroep voor het overige.