Uitspraak
[woonplaats].
6 november 2001.
Hoge Raad
In deze zaak heeft betrokkene in een procedure krachtens de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV) een wrakingsverzoek ingediend tegen de kantonrechter. De rechtbank verklaarde betrokkene niet-ontvankelijk in dit verzoek. Betrokkene stelde vervolgens hoger beroep in, maar het hof verklaarde zich onbevoegd om kennis te nemen van dit hoger beroep.
Betrokkene wendde zich daarop tot de Hoge Raad met een cassatieberoep. De Advocaat-Generaal concludeerde primair tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep en subsidiair tot niet-ontvankelijkheid van het ingestelde beroep. De Hoge Raad heeft vervolgens overwogen dat op grond van het toepasselijke art. 515, vijfde lid, Sv tegen een beslissing op een wrakingsverzoek geen rechtsmiddel openstaat.
Daarom verklaarde de Hoge Raad het cassatieberoep van betrokkene niet-ontvankelijk. Dit betekent dat de eerdere beslissingen van de rechtbank en het hof standhouden en dat betrokkene geen verdere rechtsmiddelen heeft tegen de afwijzing van zijn wrakingsverzoek.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een rechtsmiddel tegen wrakingsbeslissingen.