ECLI:NL:HR:2001:ZD2770
Hoge Raad
- Cassatie
- W.J.M. Davids
- F.H. Koster
- A.J.A. van Dorst
- B.C. de Savornin Lohman
- E.J. Numann
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt toewijzing ontnemingsvordering ondanks wijziging grondslag
In deze zaak stond een beroep in cassatie centraal tegen een uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch waarin een ontnemingsvordering was toegewezen. De verdachte stelde dat de wijziging van de grondslag van de ontnemingsvordering in strijd was met het bepaalde in artikel 313, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering en artikel 68 van Pro het Wetboek van Strafrecht. Het hof oordeelde echter dat de ontnemingsprocedure, zoals geregeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 511d en 511e van het Wetboek van Strafvordering, een andere procedure is dan de strafprocedure en dat de wijziging binnen de grenzen van deze bepalingen bleef.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep. Daarbij benadrukte de Hoge Raad dat de ontnemingsvordering slechts de aanleiding is voor de beslissing over ontneming en niet de grondslag waarop de rechter beslist. De wijziging van de ontnemingsvordering moet daarom worden getoetst aan artikel 36e Sr en niet aan de regels die gelden voor de strafprocedure.
De Hoge Raad vond geen onjuiste rechtsopvatting in het oordeel van het hof en zag geen aanleiding om de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen. Het beroep werd derhalve verworpen en de opgelegde maatregel tot betaling van een bedrag van honderdvierduizend gulden, subsidiair driehonderdzestig dagen hechtenis, bleef in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de ontnemingsmaatregel van honderdvierduizend gulden blijft gehandhaafd.