ECLI:NL:HR:2001:ZD2851
Hoge Raad
- Cassatie
- W.J.M. Davids
- G.J.M. Corstens
- A.J.A. van Dorst
- Rechtspraak.nl
Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in cassatie
De verdachte werd in hoger beroep door het hof veroordeeld tot vijftien maanden gevangenisstraf, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, voor uitlokking en medeplegen van valsheid in geschrift en het doen van een gift aan een ambtenaar met het oogmerk om hem te bewegen in strijd met zijn plicht te handelen.
De verdachte stelde beroep in cassatie in tegen dit arrest. De Hoge Raad constateerde dat de behandeling van de zaak niet binnen een redelijke termijn had plaatsgevonden zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, omdat de stukken pas ruim tien maanden na het instellen van het cassatieberoep bij de Hoge Raad waren ingediend zonder bijzondere omstandigheden die dit konden rechtvaardigen.
Hierdoor oordeelde de Hoge Raad dat de straf verminderd moest worden. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de duur van de gevangenisstraf en stelde deze vast op 14 maanden en 1 week, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De overige klachten van de verdachte werden verworpen.
Daarnaast verwierp de Hoge Raad een middel dat stelde dat de tenlastelegging onvoldoende duidelijk was, omdat het hof had geoordeeld dat de gebruikte terminologie ook feitelijke betekenis had en voldeed aan de wettelijke eisen. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren op 19 juni 2001.
Uitkomst: De gevangenisstraf is verminderd tot 14 maanden en 1 week, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.