5. Beoordeling van het middel in het principale
beroep
5.1. Het middel stelt opnieuw de door de Rechtbank verworpen bezwaren op grond van de artikelen 90, 30, 52 en 86 van het EG-Verdrag (thans achtereenvolgens de artikelen 86, 28, 43 en 82 EG) aan de orde. Daaraan wordt toegevoegd dat de Rechtbank, gegeven de stellingen van NM, ambtshalve ook artikel 37 van het EG-Verdrag (thans artikel 31 EG) in haar beschouwingen had moeten betrekken.
5.2. Kort samengevat komen de aan het bepaalde in voormelde artikelen ontleende stellingen van NM, zoals deze in het middel en de toelichting daarop zijn uitgewerkt, op het volgende neer. De titel voor de op een onteigening neerkomende overgang van burgerrechtelijke rechten en verplichtingen van NM is gegrond op hoofdstuk III van de Waterleidingwet en het op grond daarvan voorgestelde reorganisatieplan. Die titel is ondeugdelijk, omdat hij leidt tot een situatie waarin WML met uitsluiting van anderen bevoegd is tot levering van drinkwater aan verbruikers en waarin alle productie- en distributiemiddelen en het exclusieve recht tot levering in één hand komen. In een dergelijke situatie wordt het door het EG-Verdrag nagestreefde doel van onvervalste mededinging niet bereikt, doordat in plaats van vrije mededinging een monopolie tot stand wordt gebracht, hetgeen niet door eigenaardigheden van de drinkwatersector wordt gerechtvaardigd en verder gaat dan inmiddels in andere sectoren - telecommunicatie, elektriciteits- en gasvoorziening en het railvervoer - als noodzakelijk wordt gezien, in welke sectoren het model van (via exclusieve rechten gerealiseerde) monopolies plaats maakt voor een model van vrije(re) mededinging.
5.3. De Rechtbank heeft in haar vonnis van 5 september 1996 met betrekking tot dit betoog overwogen dat de overdracht van rechten en verplichtingen van NM aan WML in wezen en in feite ertoe leidt dat een lokaal monopolie, waarbij exclusieve rechten zijn verleend tot het distribueren van drinkwater, wordt opgeheven en wordt opgenomen in een monopolie van regionale of provinciale omvang. De Rechtbank achtte echter niet aannemelijk gemaakt dat ten gevolge van deze opheffing de handel tussen de lidstaten - voorzover al daarvan sprake zou zijn in het geval van drinkwater - en met name de invoer van drinkwater (potentieel) wordt beïnvloed. Reeds op die grond heeft de Rechtbank het beroep op artikel 30 van het EG-Verdrag verworpen. Ook het beroep op artikel 86 en op artikel 90, lid 1, van dat Verdrag heeft de Rechtbank op dezelfde grond verworpen, waaraan zij nog het volgende heeft toegevoegd. Alhoewel niet bij voorbaat kan worden uitgesloten dat ook voor drinkwater toegang van derden tot het door de ingevolge de Waterleidingwet aangewezen rechtspersonen beheerde drinkwaternet ("third party access") technisch mogelijk is of in de nabije toekomst mogelijk wordt, is in het geheel niet gebleken dat derden toegang tot het distributienet zouden nastreven, laat staan dat hun die toegang zou zijn geweigerd. Voorts heeft de Rechtbank overwogen dat, hoewel kan worden aangenomen dat de aangewezen rechtspersonen (gezamenlijk) over een machtspositie beschikken, van misbruik van die positie niet is gebleken, terwijl evenmin is gebleken dat door de enkele overdracht aan WML dergelijk misbruik wordt bevorderd. De Rechtbank heeft het beroep van NM op artikel 52 van het EG-Verdrag verworpen, omdat die bepaling betrekking heeft op de vrijheid van vestiging van onderdanen (waaronder begrepen ondernemingen) van de ene lidstaat op het grondgebied van een andere lidstaat en van een dergelijke situatie in het onderhavige geval geen sprake is.
5.4. De Hoge Raad zal eerst de klacht behandelen die inhoudt dat de Rechtbank ambtshalve had behoren te onderzoeken of het bepaalde in hoofdstuk III van de Waterleidingwet zou leiden tot een nationaal commercieel monopolie als bedoeld in artikel 37 van het EG-Verdrag. Zoals het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in de arresten van 4 mei 1988 in de zaak 30/87, Bodson, Jurispr. 1988, blz. 2479, punt 13 en van 27 april 1994, zaak C-393/92, Almelo, Jurispr. 1994 I, blz. 1477, punt 29 heeft overwogen, ziet artikel 37 van het EG-Verdrag op situaties waarin de nationale autoriteiten in staat zijn het handelsverkeer tussen lidstaten te beheersen, te leiden of aanmerkelijk te beïnvloeden door middel van een hiertoe ingesteld lichaam of een gedelegeerd monopolie. Dat die situatie zich hier zou voordoen, volgt echter niet uit hetgeen door NM bij de Rechtbank is gesteld, zodat de Rechtbank niet ambtshalve behoefde te onderzoeken of de overgang van het lokale monopolie van NM en de opneming daarvan in een regionaal of provinciaal monopolie van WML zou leiden tot een situatie die wordt bestreken door - en, indien dat het geval zou zijn, mogelijk onverenigbaar zou zijn met - het bepaalde in artikel 37 van het EG-Verdrag, waarop NM zich niet had beroepen. Daaromtrent wordt het volgende overwogen. De bepalingen van hoofdstuk III van de Waterleidingwet leiden op zich zelf niet tot instelling van een lichaam of een gedelegeerd monopolie als bedoeld in de genoemde arresten van het HvJ EG. Immers, ook indien ervan wordt uitgegaan dat na de overgang het exclusieve recht tot waterdistributie in Limburg aan WML toekomt en dat soortgelijke exclusieve rechten bestaan met betrekking tot andere distributiegebieden, volgt daaruit niet dat de (nationale of provinciale) overheid in staat is het handelsverkeer tussen de lidstaten te beheersen, te leiden of aanmerkelijk te beïnvloeden door middel van haar zeggenschap in WML. Hoofdstuk III van de Waterleidingwet houdt ten aanzien van een dergelijke beïnvloeding geen bepalingen in. Van een verbod of andere beperking met betrekking tot al dan niet grensoverschrijdende aankoop of verkoop van water is geen sprake en ook overigens ontbreken bepalingen die het beleid van WML in zoverre beperken. Dat de overheid feitelijk, bijvoorbeeld door het sluiten van overeenkomsten, tot een dergelijke beïnvloeding in staat is, ligt niet in de stellingen van NM voor de Rechtbank besloten. De op schending van artikel 37 van het EG-Verdrag berustende onderdelen van het middel falen derhalve.
5.5. Artikel 30 van het EG-Verdrag ziet op kwantitatieve invoerbeperkingen en maatregelen van gelijke werking. Voorzover de onderdelen van het middel zich op dit artikel beroepen, falen zij. Hoofdstuk III van de Waterleidingwet bevat geen bepalingen die zouden kunnen leiden tot kwantitatieve invoerbeperkingen of maatregelen van gelijke werking. Voorts heeft de Rechtbank geoordeeld dat niet aannemelijk is gemaakt dat door de opheffing van het lokale monopolie van NM en de opneming daarvan in het monopolie van regionale of provinciale omvang van WML de handel tussen de lidstaten - voorzover daarvan al sprake zou zijn in het geval van drinkwater - (potentieel) wordt beïnvloed. Dat oordeel kan, als van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk, in cassatie niet met vrucht worden bestreden.
5.6. Artikel 52 van het EG-Verdrag betreft de zogenoemde vrijheid van vestiging. Ook de op dit artikel betrekking hebbende onderdelen van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. Hoofdstuk III van de Waterleidingwet bevat geen bepalingen, aanknopend bij de woonplaats of zetel van een waterleidingbedrijf dan wel bij de rechtsvorm van zulk een bedrijf, waardoor de vrijheid van vestiging van elders gevestigde waterleidingbedrijven wordt beperkt.
5.7. Ten aanzien van de middelonderdelen die klagen over schending van de artikelen 86 en 90 van het EG-Verdrag heeft het volgende te gelden. Artikel 86 van het EG-Verdrag bevat een zogenoemd verbod tot misbruik van machtspositie. In hetgeen de Rechtbank dienaangaande in rechtsoverweging 4.6 heeft overwogen, ligt besloten dat een op de voet van hoofdstuk III van de Waterleidingwet in het leven te roepen reeks van regionale distributiemonopolies met betrekking tot de openbare drinkwatervoorziening niet een situatie zal scheppen waarin ondernemingen waaraan op de voet van de daarin opgenomen bepalingen uitsluitende rechten worden verleend, noodzakelijkerwijs misbruik van hun machtsposities zullen maken. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, is voor het overige van feitelijke aard, niet onbegrijpelijk en niet onvoldoende gemotiveerd. Ook in zoverre falen de middelonderdelen derhalve. Aan hetgeen is bepaald in artikel 90 van het EG-Verdrag komt in dit verband geen zelfstandige betekenis toe. Voorzover wordt geklaagd over schending van die bepaling, faalt het middel derhalve eveneens.