ECLI:NL:HR:2002:AD5366
Hoge Raad
- Cassatie
- R. Herrmann
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- H.A.M. Aaftink
- Rechtspraak.nl
Cassatie over terugvordering bijstandsuitkering en bewijslevering van gezamenlijke huishouding
In deze zaak gaat het om een cassatieprocedure waarin de Gemeente Groningen verzocht heeft om terugvordering van bijstandsuitkeringen die aan [verzoekster 1] en [verzoeker 2] zijn verstrekt. De Gemeente stelde dat er sprake was van een gezamenlijke huishouding tussen de verzoekers, wat hen hoofdelijk aansprakelijk maakte voor de terugbetaling van de bijstandsuitkeringen. De Kantonrechter te Groningen heeft op 3 augustus 1999 het verzoek van de Gemeente toegewezen, waarna [verzoekster 1] en [verzoeker 2] in hoger beroep gingen bij de Rechtbank te Groningen. De Rechtbank heeft hen in een tussenbeschikking van 14 maart 2000 toegelaten tot bewijslevering, en in een eindbeschikking van 22 mei 2001 de beschikking van de Kantonrechter bekrachtigd.
In cassatie is de vraag aan de orde of de Rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de Gemeente voldoende bewijs heeft geleverd voor de stelling dat [verzoekster 1] en [verzoeker 2] in de relevante periode een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. De Hoge Raad oordeelt dat de Rechtbank de bewijslast niet onterecht heeft verdeeld en dat de Gemeente inderdaad het bewijs heeft geleverd van de gezamenlijke huishouding. De Hoge Raad vernietigt de beschikking van de Rechtbank van 22 mei 2001 en verwijst de zaak naar het Gerechtshof te Leeuwarden voor verdere behandeling.
De uitspraak van de Hoge Raad benadrukt het belang van de bewijsvoering in zaken van bijstandsverlening en de rol van de rechter in het beoordelen van de bewijslast. De beslissing van de Hoge Raad is van belang voor de rechtspraktijk, vooral in zaken die betrekking hebben op sociale zekerheid en de terugvordering van bijstandsuitkeringen.