ECLI:NL:HR:2002:AD6266

Hoge Raad

Datum uitspraak
21 mei 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00090/01 E
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Vogelwet 1936Art. 20 Vogelwet 1936Art. 2 Regeling uitvoering Vogelwet 1936Art. 81 RO
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling voor bezit beschermde havik zonder geldige vrijstelling

De verdachte werd door het hof in hoger beroep veroordeeld voor het opzettelijk bezitten van een havik, een beschermde vogel, in strijd met artikel 7 van Pro de Vogelwet 1936. Het hof bevestigde het vonnis van de politierechter, maar legde geen straf of maatregel op.

In cassatie stelde de verdachte dat hij met een CITES-certificaat kon aantonen dat de havik op legale wijze in Duitsland was gekweekt, waardoor artikel 20 Vogelwet Pro 1936 van toepassing zou zijn en het bezit geoorloofd was. De Hoge Raad oordeelde echter dat de havik niet tot de vrijgestelde soorten behoorde omdat deze in de bijlage van de regeling genoemd wordt en dat de vrijstelling alleen geldt indien de houder kan aantonen dat de vogel op geoorloofde wijze binnen Nederland of een andere lidstaat is verkregen.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep, omdat het middel niet tot cassatie kon leiden en er geen reden was om de uitspraak ambtshalve te vernietigen. Hiermee bleef de veroordeling van de verdachte in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt verworpen en de veroordeling wegens het opzettelijk bezit van een beschermde havik blijft in stand.

Uitspraak

21 mei 2002
Strafkamer
nr. 00090/01 E
AS/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, Economische Kamer, van 22 augustus 2000, nummer 20/001418-99, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1949, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - behoudens ten aanzien van de strafoplegging - bevestigd een vonnis van de economische Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Roermond van 4 februari 1999, waarbij de verdachte is veroordeeld ter zake van "overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 7 van Pro de Vogelwet 1936, opzettelijk begaan". Het Hof heeft bepaald dat geen straf of maatregel zal worden opgelegd.
2. Geding in cassatie
2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J. Wouters, advocaat te Middelburg, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2.2. De Hoge Raad heeft kennis genomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal.
3. Beoordeling van het eerste middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beoordeling van het tweede middel
4.1. Het middel strekt ten betoge dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat ten aanzien van de onderhavige havik niet is voldaan aan het vereiste dat deze overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens art. 20 Vogelwet Pro 1936 binnen het grondgebied van Nederland is gebracht. In de toelichting op het middel wordt daartoe aangevoerd dat de verdachte door middel van de overlegging van een door de daartoe bevoegde instantie afgegeven zogenoemd Cites-certificaat heeft aangetoond dat deze havik is gekweekt in de Bondsrepubliek Duitsland.
4.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard:
"hij op 31 juli 1998 in de gemeente Beesel, een havik (Accipiter gentilis), zijnde een beschermde vogel, onder zich heeft gehad, terwijl hij, verdachte, dit economisch delict opzettelijk heeft begaan.?
4.3. Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende bepalingen van belang:
- art. 7 Vogelwet Pro 1936:
"Het is verboden beschermde vogels (...) onder zich te hebben (...).?
- art. 20 Vogelwet Pro 1936:
"Het bepaalde in de artikelen 5, 7, 8 en 9 geldt niet ten aanzien van beschermde vogels behorend tot door Onze Minister aangewezen soorten en hun produkten, eieren of nesten waarvan de houder kan aantonen dat deze zijn gekweekt of op het grondgebied van één der andere Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen dan Nederland op geoorloofde wijze zijn verkregen. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot het in de vorige volzin bepaalde voorwaarden en beperkingen worden gesteld.?
- art. 2 Regeling Pro uitvoering Vogelwet 1936:
"De soorten, bedoeld in artikel 20 van Pro de wet, zijn:
a. voorzover de houder kan aantonen dat de vogels zijn gekweekt alle soorten, met uitzondering van de soorten opgenomen in de bijlage bij deze regeling;
b. (...).?
- in de in voormeld art. 2 onder Pro a bedoelde bijlage is opgenomen: Accipiter gentilis/Havik.
4.4. Uit het vorenstaande volgt dat de havik niet behoort tot de soorten van beschermde vogels waarvoor op grond van art. 20 Vogelwet Pro 1936 art. 7 van Pro die wet niet geldt, indien de houder kan aantonen dat deze zijn gekweekt of op het grondgebied van één der andere Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen dan Nederland op geoorloofde
wijze zijn verkregen. Het middel faalt derhalve.
5. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens, A.M.J. van Buchem-Spapens, A.J.A. van Dorst en E.J. Numann, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 21 mei 2002.
Mr. G.J.M. Corstens is buiten staat dit arrest te ondertekenen.