ECLI:NL:HR:2002:AD7364

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 februari 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C01/274HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.E.M. van der Putt-Lauwers
  • H.A.M. Aaftink
  • D.H. Beukenhorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 337 Rv
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep in civiele vordering tot betaling en immateriële schadevergoeding

Eiser heeft verweerder gedagvaard voor de Rechtbank te Breda met een vordering tot betaling van een geldbedrag en een immateriële schadevergoeding. De Rechtbank heeft eiser opgedragen bewijs te leveren omtrent een schikkingsvoorstel van een derde partij en het advies van verweerder om dit aanbod niet te aanvaarden.

Eiser stelde hoger beroep in tegen een tussenvonnis, maar het Gerechtshof verklaarde hem niet-ontvankelijk en verwees de zaak terug naar de Rechtbank. Hiertegen stelde eiser beroep in cassatie bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad oordeelt dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden en verwerpt het beroep zonder nadere motivering. Eiser wordt veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie, die aan de zijde van verweerder op nihil worden begroot.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser wordt verworpen en hij wordt veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

Uitspraak

8 februari 2002
Eerste Kamer
Nr. C01/274HR
SB
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser], wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. drs. R.A. van der Hansz,
t e g e n
[Verweerder], wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploit van 15 juli 1998 verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - gedagvaard voor de Rechtbank te Breda en gevorderd [verweerder], bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen aan [eiser] te betalen ƒ 12.471,14, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding, alsmede een bedrag ter vergoeding van de door [eiser] geleden immateriële schade, door de Rechtbank ex aequo et bono vast te stellen op ƒ 5.000,-- of een zodanig bedrag als de Rechtbank juist zal achten.
[Verweerder] heeft de vordering bestreden.
De Rechtbank heeft bij tussenvonnis van 20 april 1999 - voor zover in cassatie van belang - [eiser] opgedragen te bewijzen:
- dat door of namens [betrokkene A] een schikkingsvoorstel is gedaan in de procedure tussen [eiser] en deze [betrokkene A], waarbij [betrokkene A] heeft aangeboden de zaak te regelen tegen betaling aan hem van ƒ 3.500,-- alsmede;
- dat [verweerder] de aanvaarding van dit aanbod van deze [betrokkene A] aan [eiser] heeft afgeraden;
- bepaald dat van dit vonnis geen hoger beroep kan worden ingesteld dan tegelijk met het eindvonnis.
Tegen dit vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch.
Bij arrest van 17 april 2001 heeft het Hof [eiser] niet-ontvankelijk verklaard in zijn appel tegen het tussenvonnis van de Rechtbank en de zaak ter verdere berechting teruggewezen naar de Rechtbank.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het Hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding en het herstelexploit zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Tegen de niet verschenen [verweerder] is verstek verleend.
De conclusie van de Plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep met veroordeling van [eiser] in de kosten.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, als voorzitter, H.A.M. Aaftink en D.H. Beukenhorst, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 8 februari 2002.