ECLI:NL:HR:2002:AD7805
Hoge Raad
- Cassatie
- W.E. Haak
- F.H. Koster
- A.J.A. van Dorst
- B.C. de Savornin Lohman
- W.A.M. van Schendel
- Rechtspraak.nl
Verwerping beroep cassatie tegen ontnemingsvordering wegens strijd met art. 6 EVRM
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem waarin aan betrokkene een ontnemingsvordering werd opgelegd tot betaling van ƒ193.745, subsidiair 570 dagen hechtenis. Betrokkene stelde dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard omdat de bewijsvoering in de ontnemingsprocedure in strijd zou zijn met artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).
De Hoge Raad overwoog dat artikel 6 EVRM Pro vereist dat bewijsvoering voldoet aan de regels van het betreffende rechtsstelsel, maar dat de bijzondere regeling voor ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, waarbij de bewijsmiddelen uit artikel 338 tot Pro en met 344a van het Wetboek van Strafvordering niet van toepassing zijn, niet in strijd is met artikel 6 EVRM Pro.
Daarnaast wees de Hoge Raad het verweer af dat het oordeel van de rechter over het bestaan van voldoende aanwijzingen voor soortgelijke feiten slechts op wettige bewijsmiddelen mag berusten, zoals voorgeschreven in artikel 511f Sv voor de schatting van het bedrag. Omdat het middel faalde en er geen ambtshalve vernietigingsgrond was, werd het beroep verworpen.
Het arrest werd uitgesproken door de strafkamer van de Hoge Raad op 26 maart 2002, waarbij de president en vier raadsheren betrokken waren.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt verworpen en de ontnemingsvordering van ƒ193.745 of subsidiair 570 dagen hechtenis wordt bevestigd.