ECLI:NL:HR:2002:AD8177

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 maart 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C00/167HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • C.H.M. Jansen
  • A.G. Pos
  • P.C. Kop
  • A. Hammerstein
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling betaling en afwijzing cassatie in civiele vordering

Verweerder heeft eiser in kort geding gedagvaard en gevorderd tot betaling van een bedrag van ƒ 163.348,50, vermeerderd met rente, en tot het overleggen van diverse overzichten en rectificaties. De President van de Rechtbank Amsterdam heeft eiser veroordeeld tot betaling van ƒ 135.920,53 plus rente en het meer gevorderde afgewezen.

Eiser stelde hoger beroep in bij het Gerechtshof Amsterdam, dat het vonnis bekrachtigde. Vervolgens stelde eiser beroep in cassatie in tegen het arrest van het hof. De Advocaat-Generaal adviseerde tot verwerping van het cassatieberoep.

De Hoge Raad oordeelt dat de aangevoerde klachten niet leiden tot cassatie en dat geen nadere motivering nodig is omdat geen rechtsvragen in belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde zijn. Het beroep wordt verworpen en eiser wordt veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser wordt verworpen en het vonnis en arrest tot betaling worden bekrachtigd.

Uitspraak

15 maart 2002
Eerste Kamer
Nr. C00/167HR
AP
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser], wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. W.B. Teunis,
t e g e n
[Verweerder], wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. E. Grabandt.
1. Het geding in feitelijke instanties
Verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - heeft bij exploit van 26 februari 1997 eiser tot cassatie – verder te noemen: [eiser] – in kort geding gedagvaard voor de President van de Rechtbank te Amsterdam en gevorderd bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
1. primair [eiser] te veroordelen tot betaling van een bedrag van ƒ 163.348,50, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding;
2. subsidiair [eiser] te veroordelen om binnen vijf dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis aan [verweerder] of diens raadsman te doen toekomen overzichten waaruit blijkt:
• welke van de door [verweerder] aan [eiser] toegezonden declaraties wel en welke van deze declaraties niet zijn ingeboekt en doorbelast aan de verzekeraar;
• welke van de bij de verzekeraar door [eiser] ingediende declaraties door de verzekeraar inmiddels zijn voldaan;
• welke van de door [eiser] nog niet bij de verzekeraar ingediende declaraties alsnog bij de verzekeraar zullen worden ingediend (en binnen welke termijn) en welke van deze declaraties door [eiser] op voorhand worden betwist alsmede op welke gronden;
- en [eiser] te veroordelen de nog niet bij de verzekeraar ingediende en door hem niet betwiste declaraties van [verweerder] door te belasten aan de verzekeraar,
- een en ander op straffe van een dwangsom van ƒ 1.000,-- voor iedere dag, gedurende welke [eiser] in gebreke blijft met de volledige nakoming van het te dezen te wijzen vonnis;
3. [eiser] te gebieden binnen vijf dagen na betekening van het te dezen te wijzen vonnis aan de raadsman van [verweerder] over te leggen een lijst van verzekeringsmaatschappijen en expertisebureaus en anderen met adressen en personen te wier attentie het memo is gezonden èn binnen dezelfde termijn het memo te rectificeren en van de rectificatie een afschrift te zenden aan de raadsman van [verweerder] onder mededeling dat aan de op de lijst vermelde verzekeringsmaatschappijen en expertisebureaus en anderen de rectificatie is verzonden. De rectificatie dient in te houden dat het memo ten onrechte vermeldt: "er is niet geschreven met een vork doch met een hark", zulks zonder andere dan zakelijke toevoegingen met toezending van het te dezen te wijzen vonnis. Al deze verplichtingen op straffe van een dwangsom van ƒ 1.000.000,--;
4. [eiser] te veroordelen in de buitengerechtelijke kosten tot heden – exclusief de werkzaamheden verbonden aan het concipiëren van deze dagvaarding – begroot op ƒ 7.739,03.
[Eiser] heeft de vorderingen bestreden.
De President heeft bij vonnis van 18 september 1997 [eiser] veroordeeld om aan [verweerder] te voldoen een bedrag van ƒ 135.920,53, vermeerderd met de wettelijke rente over ƒ 128.181,50 vanaf 26 februari 1997, en het meer of anders gevorderde afgewezen.
Tegen dit vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam.
Bij arrest van 23 maart 2000 heeft het Hof het bestreden vonnis bekrachtigd.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het Hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 885,87 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.H.M. Jansen, als voorzitter, A.G. Pos en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 15 maart 2002.