ECLI:NL:HR:2002:AD8185

Hoge Raad

Datum uitspraak
29 maart 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C00/214HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.E.M. van der Putt-Lauwers
  • D.H. Beukenhorst
  • O. de Savornin Lohman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Huurvordering en huurachterstand met boete en rente afgewezen in cassatie

Eisers hebben verweerster gedagvaard voor betaling van huurverhogingen, achterstallige huurpenningen, boete en rente over de periode van mei 1996 tot mei 1999. De Kantonrechter wees de vorderingen in conventie toe en wees de reconventionele vordering af. Verweerster stelde hoger beroep in bij de Rechtbank Breda, die het vonnis van de Kantonrechter vernietigde en verweerster veroordeelde tot betaling van een kleiner bedrag met rente.

Eisers stelden vervolgens cassatieberoep in tegen het vonnis van de Rechtbank. Verweerster was niet verschenen en verstek werd verleend. De Advocaat-Generaal adviseerde het cassatieberoep te verwerpen. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en verwierp het beroep van eisers.

De Hoge Raad veroordeelde eisers in de kosten van het geding in cassatie, begroot op nihil aan de zijde van verweerster. Hiermee werd het vonnis van de Rechtbank bevestigd en de vorderingen van eisers afgewezen voor zover hoger beroep en cassatie betroffen.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het vonnis van de Rechtbank Breda waarin de vorderingen van eisers grotendeels zijn afgewezen.

Uitspraak

29 maart 2002
Eerste Kamer
Nr. C00/214HR
SB
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [Eiser 1],
2. [Eiseres 2],
beiden wonende te [woonplaats],
EISERS tot cassatie,
advocaat: mr. W.I. Wisman,
t e g e n
[Verweerster], gevestigd te [vestigingsplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eisers tot cassatie - verder te noemen: [eiser] c.s. - hebben bij exploit van 20 oktober 1998 verweerster in cassatie - verder te noemen: [verweerster] - gedagvaard voor de Kantonrechter te Tilburg en - samengevat - gevorderd [verweerster] te veroordelen tot betaling van:
a. een bedrag van ƒ 504,-- terzake van de nog aan [eiser] c.s. toekomende, tussen partijen overeengekomen, huurverhoging over de periode van 6 mei 1996 tot 6 mei 1998;
b. een bedrag van ƒ 44,92 terzake van de huurverhoging over de maand mei 1998;
c. een bedrag van 5 x ƒ 2.086,92 of wel ƒ 10.434,60 terzake de huurpenningen, vervallen sinds 1 juni 1998, de datum vanaf welke [verweerster] nalatig is gebleven in de betaling van de overeengekomen huurpenningen, tot 1 november 1998;
d. een bedrag van ƒ 2.086,92 per maand, vanaf 6 november 1998 tot 6 mei 1999 althans tot die datum waarop [eiser] c.s. erin zullen zijn geslaagd om het gehuurde opnieuw te verhuren tegen gelijke voorwaarden aan derden;
e. een bedrag van ƒ 3.000,-- terzake van de tussen partijen overeengekomen boete;
f. een bedrag van ƒ 2.465,40 terzake van de verschuldigde wettelijke rente over de achterstallige huurpenningen vanaf de respectieve vervaldata tot aan de dag der dagvaarding;
g. de wettelijke rente over de bedragen genoemd onder a tot en met f vanaf de datum van dagvaarding.
[Verweerster] heeft de vorderingen bestreden en harerzijds gevorderd [eiser] c.s. te veroordelen tot betaling van een bedrag van ƒ 2.000,--.
[Eiser] c.s. hebben de vordering in reconventie bestreden.
De Kantonrechter heeft bij vonnis van 23 september 1999 de vorderingen in conventie toegewezen en de vordering in reconventie afgewezen.
Tegen dit vonnis heeft [verweerster] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Breda.
Bij vonnis van 18 april 2000 heeft de Rechtbank het bestreden vonnis, voor zover in conventie gewezen, vernietigd en opnieuw rechtdoende, [verweerster] veroordeeld aan [eiser] c.s. te betalen de somma van ƒ 497,23, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 20 oktober 1999 tot aan de dag der algehele betaling.
Het vonnis van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het vonnis van de Rechtbank hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen de niet verschenen [verweerster] is verstek verleend.
De zaak is voor [eiser] c.s. toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, als voorzitter, D.H. Beukenhorst en O. de Savornin Lohman, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 29 maart 2002.