ECLI:NL:HR:2002:AD8186
Hoge Raad
- Cassatie
- R. Herrmann
- J.B. Fleers
- A.G. Pos
- D.H. Beukenhorst
- A. Hammerstein
- Rechtspraak.nl
Arbeidsovereenkomst tussen werknemer en bank ondanks inleenconstructie niet vastgesteld
De zaak betreft de vraag of tussen een werknemer en een bank een arbeidsovereenkomst is ontstaan, terwijl de werknemer oorspronkelijk via een schoonmaakbedrijf (inleenconstructie) werkzaamheden verrichtte voor de bank. De werknemer verrichtte vanaf 1990 diverse werkzaamheden voor de bank, waaronder chauffeur en beheer van kantoormachines, met functiewijzigingen die niet schriftelijk waren vastgelegd. Vanaf november 1993 ontving de werknemer een salaris conform de CAO voor het bankbedrijf, hoger dan de schoonmaak-CAO.
De kantonrechter stelde vast dat vanaf 1 november 1993 een arbeidsovereenkomst tussen werknemer en bank was ontstaan, en verklaarde het ontslag van de werknemer nietig. De rechtbank bekrachtigde dit oordeel. De bank stelde cassatie in tegen deze uitspraken.
De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank onvoldoende had gemotiveerd waarom de feitelijke gezagsverhouding en salarisbetaling via het schoonmaakbedrijf niet konden worden gekwalificeerd als voortzetting van de inleenconstructie. Ook ontbrak duidelijkheid over het moment waarop de arbeidsovereenkomst zou zijn ontstaan. Daarom vernietigde de Hoge Raad het vonnis en verwees de zaak naar het gerechtshof voor verdere behandeling.
De Hoge Raad benadrukte dat het bestaan van een arbeidsovereenkomst afhangt van wederzijdse verklaringen en gedragingen, maar dat rechtszekerheid zich verzet tegen een geruisloze overgang van inleenconstructie naar directe arbeidsovereenkomst zonder duidelijke afspraken. De werknemer werd veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt vonnis en verwijst zaak naar gerechtshof wegens onvoldoende motivering over het ontstaan van de arbeidsovereenkomst.