ECLI:NL:HR:2002:AD8768

Hoge Raad

Datum uitspraak
1 februari 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
36701
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • G.J. Zuurmond
  • F.W.G.M. van Brunschot
  • D.G. van Vliet
  • P. Lourens
  • J.C. van Oven
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 lid 5 Wet op de vermogensbelasting 1964
Verwijzingen
1 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt uitspraak Hof inzake navorderingsaanslag vermogensbelasting 1987

Aan belanghebbende werd aanvankelijk voor 1987 een aanslag vermogensbelasting opgelegd op een vastgesteld vermogen van f 20.019.000. Vervolgens verleende de Inspecteur op grond van artikel 14, lid 5, van de Wet op de vermogensbelasting 1964 een teruggaaf van f 53.231. Daarna legde de Inspecteur een navorderingsaanslag op van f 53.231 met een verhoging van honderd procent, waarvan vijftig procent werd kwijtgescholden.

Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze aanslag en de verhoging, maar dit werd door de Inspecteur gehandhaafd. Het Hof verklaarde het beroep van belanghebbende gegrond en vernietigde de navorderingsaanslag. De Staatssecretaris van Financiën stelde vervolgens cassatieberoep in tegen deze uitspraak.

De Hoge Raad oordeelde dat het Hof onterecht had geoordeeld omdat het Hof in een andere zaak (nummer 36670) de navorderingsaanslag inkomstenbelasting 1986 had vernietigd. De Hoge Raad stelde dat het Hof niet verplicht was te wachten op een onherroepelijke beslissing in die andere zaak alvorens uitspraak te doen. Omdat de uitspraak in die andere zaak was vernietigd en verwezen, verloor de uitspraak van het Hof in deze zaak zijn grondslag.

Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest van het Hof en verwees de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage voor verdere behandeling en beslissing met inachtneming van dit arrest. De Hoge Raad achtte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten van het cassatieberoep.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage voor verdere behandeling.

Uitspraak

Nr. 36.701
1 februari 2002
JV
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 27 oktober 2000, nr. 98/5486, betreffende na te melden aan X te Z (België) opgelegde navorderingsaanslag in de vermogensbelasting.
1. Beschikking, navorderingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Nadat aan belanghebbende aanvankelijk voor het jaar 1987 een aanslag in de vermogensbelasting was opgelegd naar een vastgesteld vermogen van f 20.019.000, is hem vervolgens op de voet van artikel 14, lid 5, van de Wet op de vermogensbelasting 1964 teruggaaf verleend van f 53.231. Daarna heeft de Inspecteur aan belanghebbende over dat jaar een navorderingsaanslag in de vermogensbelasting opgelegd tot een bedrag van f 53.231 met een verhoging van de nagevorderde belasting van honderd percent, van welke verhoging de Inspecteur bij het vaststellen van de aanslag kwijtschelding heeft verleend tot op vijftig percent. De navorderingsaanslag en de beschikking inzake de verhoging zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij gezamenlijke uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard en de uitspraak van de Inspecteur alsmede de navorderingsaanslag vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van het middel
3.1. In de onderhavige zaak heeft het Hof de aan belanghebbende over het jaar 1987 opgelegde navorderingsaanslag in de vermogensbelasting vernietigd, omdat het Hof in zijn uitspraak van 16 augustus 2000, nr. P98/5477, de aan belanghebbende over het jaar 1986 opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting had vernietigd.
3.2. In de zaak met nummer 36670 betreffende de onder 3.1 vermelde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting heeft de Hoge Raad bij arrest van heden de uitspraak van het Hof vernietigd en het geding verwezen naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.
3.3. Het middel faalt voorzover het strekt ten betoge dat het Hof in de onderhavige zaak pas uitspraak had mogen doen nadat de onder 3.1 vermelde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting onherroepelijk zou zijn komen vast te staan. Geen rechtsregel verplicht het gerechtshof immers in zaken als de onderhavige, waarin de beslissing mede afhankelijk is van de beslissing in een andere zaak, te wachten met het geven van een beslissing totdat in die andere zaak onherroepelijk is beslist.
3.4. Het onder 3.3 overwogene neemt niet weg dat, nu in de zaak met nummer 36670 de uitspraak van het Hof is vernietigd en het geding is verwezen, de grond is ontvallen aan de in de onderhavige zaak aan de orde zijnde uitspraak van het Hof, zodat die uitspraak moet worden vernietigd en het geding moet worden verwezen. In zoverre treft het middel doel.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten van het geding in cassatie. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht,
verwijst het geding naar het Gerechtshof te
´s-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J. Zuurmond als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, D.G. van Vliet, P. Lourens en J.C. van Oven, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.M. van Hooff, en in het openbaar uitgesproken op 1 februari 2002.