ECLI:NL:HR:2002:AD8940

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 maart 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01415/01
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • W.J.M. Davids
  • G.J.M. Corstens
  • A.J.A. van Dorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 437 SvArt. 81 RO
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep tegen vrijspraak en veroordeling voor zware mishandeling met dood tot gevolg

De zaak betreft een cassatieberoep ingesteld door de verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage. Het hof had de verdachte vrijgesproken van een primair ten laste gelegde feit, maar veroordeelde hem voor zware mishandeling met de dood tot gevolg en medeplegen van poging tot doodslag. De strafmaat bedroeg vier jaren gevangenisstraf met een bevel tot terbeschikkingstelling en verpleging van overheidswege.

In cassatie werd het middel van de verdachte onderzocht, maar de Hoge Raad stelde vast dat het middel niet voldeed aan de vereisten van art. 437 Sv Pro, omdat het geen stellige en duidelijke klacht bevatte over schending van rechtsregels of vormvoorschriften. Hierdoor kon het middel niet tot cassatie leiden.

De Hoge Raad oordeelde dat er geen reden was om ambtshalve tot vernietiging van het arrest over te gaan en verwierp het cassatieberoep. Hiermee bleef het arrest van het hof ongewijzigd in stand, inclusief de opgelegde straf en de betalingsverplichting aan de benadeelde partij.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen, waardoor de veroordeling tot vier jaar gevangenisstraf met terbeschikkingstelling in stand blijft.

Uitspraak

19 maart 2002
Strafkamer
nr. 01415/01
AS/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 6 februari 2001, nummer 22/001400-00, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976, ten tijde van de bestreden uitspraak gedetineerd in Penitentiaire Inrichting "De IJssel" te Krimpen aan den IJssel.
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 20 april 2000, - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder 1 primair en 2. tenlastegelegde en hem voorts ter zake van 1 subsidiair "zware mishandeling, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft" en 3 primair "medeplegen van poging tot doodslag" veroordeeld tot vier jaren gevangenisstraf en daarbij bevolen dat de verdachte ter beschikking zal worden gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij deels toegewezen en aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd een en ander als in het arrest vermeld.
2. Geding in cassatie
Het beroep - dat kennelijk niet is gericht tegen de gegeven vrijspraken - is ingesteld door de verdachte.
Namens deze heeft mr. M.R. Mantz, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.
3. Beoordeling van het middel
De Hoge Raad stelt voorop dat voor onderzoek door de cassatierechter alleen in aanmerking komen middelen van cassatie als bedoeld in art. 437 Sv Pro. Als zodanig middel kan slechts gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. De in de schriftuur vervatte "vraag" voldoet niet aan dit vereiste en moet derhalve onbesproken blijven.
Voorzover de schriftuur een middel in voormelde zin bevat kan het middel niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu dat middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak, voorzover aan zijn oordeel onderworpen, ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de waarnemend-griffier H.H.A. de Nijs, en uitgesproken op 19 maart 2002.