ECLI:NL:HR:2002:AD9118

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 april 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C00/188HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.E.M. van der Putt-Lauwers
  • H.A.M. Aaftink
  • D.H. Beukenhorst
  • A. Hammerstein
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt vernietiging vonnis en afwijzing vordering bank in civiele procedure

Eiseres heeft de bank gedagvaard met een vordering tot betaling van een bedrag vermeerderd met wettelijke rente. De rechtbank wees de vordering toe, maar de bank stelde hoger beroep in. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank, wees de vordering van eiseres af en veroordeelde eiseres tot terugbetaling aan de bank van een bedrag vermeerderd met wettelijke rente.

Eiseres stelde vervolgens beroep in cassatie in tegen het arrest van het hof. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van eiseres niet tot cassatie konden leiden en verwierp het beroep. De Hoge Raad zag geen noodzaak tot nadere motivering, aangezien geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren.

De Hoge Raad veroordeelde eiseres tevens in de kosten van het geding in cassatie. Hiermee is het arrest van het hof definitief en de vordering van eiseres afgewezen.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het arrest van het hof dat de vordering van eiseres afwijst.

Uitspraak

5 april 2002
Eerste Kamer
Nr. C00/188HR
SB
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiseres], gevestigd te [vestigingsplaats],
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. J.B.M.M. Wuisman,
t e g e n
ABN AMRO BANK N.V., gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. R.S. Meijer.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiseres tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] - heeft bij exploit van 11 december 1992 verweerster in cassatie - verder te noemen: de Bank - gedagvaard voor de Rechtbank te Amsterdam en gevorderd de Bank bij vonnis, voor zover wettelijk mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen om aan [eiseres] te betalen een bedrag van ƒ 55.929,62, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 oktober 1991.
De Bank heeft de vordering gemotiveerd bestreden.
De Rechtbank heeft bij vonnis van 4 november 1998 de vordering toegewezen.
Tegen dit vonnis heeft de Bank hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam. Bij memorie van grieven heeft de Bank vernietiging van voormeld vonnis gevorderd alsmede terugbetaling door [eiseres] van een bedrag van ƒ 92.305,62, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling, zijnde 21 december 1998.
[Eiseres] heeft voorwaardelijk incidenteel appel ingesteld.
Bij arrest van 2 maart 2000 heeft het Hof het bestreden vonnis vernietigd, de vorderingen van [eiseres] afgewezen en [eiseres] veroordeeld tot terugbetaling aan de Bank van een bedrag van ƒ 92.305,62 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 december 1998.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het Hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Bank heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de bank begroot op € 729,32 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, als voorzitter, H.A.M. Aaftink en D.H. Beukenhorst, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 5 april 2002.