ECLI:NL:HR:2002:AD9149
Hoge Raad
- Cassatie
- R. Herrmann
- H.A.M. Aaftink
- O. de Savornin Lohman
- A. Hammerstein
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep inzake toepassing Wet Bopz
Verzoekers hebben bij de Hoge Raad cassatieberoep ingesteld tegen eerdere uitspraken over de toepassing van de Wet bijzondere opnemingen psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz). Zij vorderden onder meer vaststelling dat de toepassing van de Wet Bopz op verzoekster sub 1 onrechtmatig was en compensatie voor de geleden schade.
De Hoge Raad heeft het beroep onderzocht en vastgesteld dat het verzoekschrift niet was ondertekend door een advocaat, wat volgens artikel 426a, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering vereist is voor cassatieberoepen. Hoewel artikel 78 van Pro de Wet Bopz uitzonderingen kent voor procesvertegenwoordiging in de feitelijke instanties, geldt dit niet voor de cassatieprocedure bij de Hoge Raad.
Daarom verklaarde de Hoge Raad verzoekers niet-ontvankelijk in hun cassatieberoep. De beschikking werd gegeven door de vice-president en raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 1 maart 2002.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verzoekers is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een advocaat in het verzoekschrift.