ECLI:NL:HR:2002:AD9332
Hoge Raad
- Cassatie
- R. Herrmann
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- H.A.M. Aaftink
- A. Hammerstein
- P.C. Kop
- Rechtspraak.nl
Vernietiging vonnis wegens onvoldoende motivering kennelijk onredelijk ontslag bij bedrijfsbeëindiging
De zaak betreft een geschil over het ontslag van een werknemer die sinds 1973 in dienst was bij een groothandel in rookartikelen. De werkgever beëindigde zijn bedrijf wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd en vroeg ontslagvergunningen aan om het dienstverband met de werknemer te beëindigen. De werknemer werd arbeidsongeschikt en verrichtte vanaf februari 1996 geen werkzaamheden meer, maar kreeg loon doorbetaald tot september 1997.
De werknemer stelde dat het ontslag kennelijk onredelijk was en vorderde een schadevergoeding. De Kantonrechter wees de vordering af, maar de Rechtbank stelde een comparitie van partijen in om nader onderzoek te doen naar de afwezigheid van een afvloeiingsregeling. De Hoge Raad oordeelt dat de Rechtbank zich ten onrechte beperkte tot de afvloeiingsregeling en onvoldoende alle omstandigheden van het geval heeft betrokken bij de beoordeling van het kennelijk onredelijk ontslag.
De Hoge Raad vernietigt het tussenvonnis van de Rechtbank en verwijst de zaak naar het Gerechtshof Leeuwarden voor verdere behandeling en beslissing. Tevens veroordeelt de Hoge Raad de werknemer in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: Het tussenvonnis van de Rechtbank wordt vernietigd en de zaak verwezen naar het Gerechtshof Leeuwarden.