ECLI:NL:HR:2002:AD9338
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- H.A.M. Aaftink
- D.H. Beukenhorst
- A. Hammerstein
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing cassatie in arbeidsgeschil over achterstallige overuren
Eiser vorderde betaling van achterstallige overuren en bijkomende vergoedingen van verweerder, die deze vordering betwistte en zelf een tegenvordering instelde. De Kantonrechter verklaarde zich aanvankelijk onbevoegd en verwees de zaak door. Vervolgens veroordeelde de Kantonrechter eiser tot betaling van salaris en vakantiegeld vanaf december 1996, met wettelijke rente en verhoging, maar wees overige vorderingen af.
Eiser ging in hoger beroep bij de Rechtbank Zutphen, die het vonnis van de Kantonrechter bevestigde en bepaalde dat verweerder zekerheid moest stellen bij executie. De rechtbank vernietigde de proceskostenveroordeling van de Kantonrechter in reconventie en veroordeelde eiser in de kosten van het geding.
Eiser stelde beroep in cassatie tegen het vonnis van de Rechtbank. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en wees het beroep af zonder nadere motivering, conform artikel 81 van Pro het Wetboek van Rechtsvordering. Eiser werd veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het vonnis van de Rechtbank Zutphen.