ECLI:NL:HR:2002:AD9342

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 april 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C00/333HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • R. Herrmann
  • H.A.M. Aaftink
  • O. de Savornin Lohman
  • A. Hammerstein
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping beroep in cassatie inzake verdeling huwelijksgoederengemeenschap

De vrouw heeft de man gedagvaard voor de rechtbank met het verzoek de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap vast te stellen. De man heeft dit bestreden. Na diverse procedures, waaronder een enquête en bewijslevering, wees de rechtbank de vordering af. De vrouw stelde hoger beroep in bij het hof, dat het bewijsleveringsproces voortzette en een comparitie gelastte.

Het hof stelde het bewijsproces en de comparitie vast in een arrest van 25 oktober 2000. De man stelde hiertegen cassatieberoep in. De vrouw verzocht het beroep te verwerpen. De advocaat-generaal adviseerde eveneens tot verwerping.

De Hoge Raad oordeelt dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden en verwerpt het beroep zonder nadere motivering. De kosten van het cassatiegeding worden gecompenseerd, zodat iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de man wordt verworpen; iedere partij draagt haar eigen kosten.

Uitspraak

12 april 2002
Eerste Kamer
Nr. C00/333HR
AP
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[De man], wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. L.A. van der Niet,
t e g e n
[De vrouw], wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. M.G. Evers.
1. Het geding in feitelijke instanties
Verweerster in cassatie - verder te noemen: de vrouw - heeft bij exploit van 11 juni 1993 eiser tot cassatie - verder te noemen: de man - gedagvaard voor de Rechtbank te 's-Gravenhage en gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de verdeling vast te stellen van de huwelijksgoederengemeenschap als omschreven in punt 8 van de dagvaarding en deze verdeling te gelasten, dan wel door de Rechtbank zelf een verdeling vast te doen stellen, rekening houdende naar billijkheid zowel met de belangen van partijen als met het algemeen belang.
De man heeft de vordering bestreden.
De Rechtbank heeft na een tussenvonnis van 2 november 1993 bij tussenvonnis van 3 augustus 1994 de man tot getuigenbewijs toegelaten. Na enquête heeft de Rechtbank bij eindvonnis van 20 september 1995 de vordering afgewezen.
Tegen dit eindvonnis heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage.
Na een tussenarrest van 27 maart 1998 heeft het Hof bij tussenarrest van 26 februari 1999 de man bewijslevering opgedragen en bij tussenarrest van 12 maart 1999 de man in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over het te leveren bewijs.
Bij tussenarrest van 25 oktober 2000 heeft het Hof een comparitie van partijen gelast en iedere verdere beslissing aangehouden.
Het arrest van het Hof van 25 oktober 2000 is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen laatstvermeld arrest van het Hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De vrouw heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De man heeft de zaak doen toelichten door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
compenseert de kosten van het geding in cassatie, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R. Herrmann als voorzitter en de raadsheren H.A.M. Aaftink en O. de Savornin Lohman, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 12 april 2002.