ECLI:NL:HR:2002:AD9347

Hoge Raad

Datum uitspraak
29 maart 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R01/064HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.E.M. van der Putt-Lauwers
  • H.A.M. Aaftink
  • D.H. Beukenhorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot wijziging en vaststelling alimentatie en pensioenverdeling afgewezen door Hoge Raad

De vrouw verzocht bij de rechtbank wijziging van de alimentatieverplichtingen van de man, met terugwerkende kracht, en een bepaling van haar aandeel in de pensioenvoorziening. De rechtbank wijzigde de alimentatie deels en wees het pensioenverzoek af. De vrouw ging in hoger beroep tegen deze beslissingen, terwijl de man incidenteel hoger beroep instelde.

Het hof vernietigde de eerdere beschikkingen van de rechtbank en stelde de alimentatie voor de vrouw op nihil en voor de zoon op een lager bedrag vast. De vrouw stelde beroep in cassatie tegen deze beschikking. De man diende geen verweerschrift in.

De Advocaat-Generaal adviseerde het cassatieberoep te verwerpen. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was. Het beroep werd verworpen, waarmee de beschikking van het hof in stand bleef.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het hofarrest waarin de alimentatie voor de vrouw op nihil en voor de zoon op ƒ 700 per maand is vastgesteld.

Uitspraak

29 maart 2002
Eerste Kamer
Rek.nr. R01/064HR
AP
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De vrouw], wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
[De man], wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 17 januari 2000 gedateerd verzoekschrift heeft verzoekster tot cassatie - verder te noemen: de vrouw - zich gewend tot de Rechtbank te Rotterdam en verzocht bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, de beschikking van de Rechtbank te Rotterdam van 3 maart 1997 te wijzigen en de door verweerder in cassatie - verder te noemen: de man - verschuldigde uitkering tot levensonderhoud met terugwerkende kracht tot 3 maart 1997 vast te stellen op ƒ 6.100,-- per maand voor de vrouw en per 1 november 1999 vast te stellen op ƒ 750,-- per maand voor de zoon van partijen, althans tot zodanige bedragen en met ingang van zodanige datum als de Rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren. Voorts heeft zij verzocht haar aandeel in de te verrekenen pensioenvoorziening te bepalen op een bedrag van ƒ 76.877,--.
De man heeft het verzoek bestreden.
De Rechtbank heeft bij beschikking van 11 augustus 2000, nr. 133657, de beschikking van de Rechtbank te Rotterdam van 3 maart 1997 in die zin gewijzigd dat de daarbij aan de man opgelegde uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van de datum van de uitspraak wordt bepaald op ƒ 800,-- per maand, de vrouw niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot bepaling van haar aandeel in de door de man tot 1994 opgebouwde directiepensioenvoorziening, en het meer of anders verzochte afgewezen.
Bij beschikking van 11 augustus 2000, nr. 133658, heeft de Rechtbank bepaald dat de man aan de vrouw met ingang van 1 november 1999 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de zoon zal uitkeren ƒ 500,-- per maand, vermeerderd met iedere uitkering die hem op grond van geldende wetten of regelingen ten behoeve van de zoon kan of zal worden verleend, en het meer of anders verzochte afgewezen.
Tegen beide beschikkingen heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage. Daarbij heeft zij het Hof verzocht de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in haar levensonderhoud met ingang van 3 maart 1997 te stellen op ƒ 5.500,-- en voor de zoon met ingang van 1 december 1999 op ƒ 750,--, telkens per maand.
De man heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.
Bij beschikking van 28 maart 2001 heeft het Hof beide beschikkingen van de Rechtbank van 11 augustus 2000 vernietigd, en opnieuw rechtdoende de door de man aan de vrouw te betalen alimentatie met ingang van de datum van de uitspraak vastgesteld op nihil en de voor de zoon te betalen bijdrage met ingang van dezelfde datum vastgesteld op ƒ 700,-- per maand, en het meer of anders verzochte afgewezen.
De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het Hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De man heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.B. Bakels strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, als voorzitter, H.A.M. Aaftink en D.H. Beukenhorst, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 29 maart 2002.