ECLI:NL:HR:2002:AD9607

Hoge Raad

Datum uitspraak
24 mei 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C00/242HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • R. Herrmann
  • D.H. Beukenhorst
  • O. de Savornin Lohman
  • A. Hammerstein
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt toewijzing wettelijke rente over hoofdsom na verwerping reconventionele vordering

In deze civiele zaak vorderde verweerder betaling van een bedrag en wettelijke rente van eiser, die op zijn beurt een tegenvordering instelde. Na diverse procedures bij de Rechtbank en het Gerechtshof te Leeuwarden, waarbij vorderingen deels werden toegewezen en deels afgewezen, stelde eiser cassatieberoep in tegen het arrest van het Hof. Verweerder stelde een incidenteel cassatieberoep in.

De Hoge Raad oordeelde dat het principale beroep van eiser niet tot cassatie kon leiden. In het incidentele beroep vernietigde de Hoge Raad het arrest van het Hof voor zover daarin verweerder niet werd toegewezen de wettelijke rente over de aan hem toegekende hoofdsom. De Hoge Raad veroordeelde eiser tot betaling van de wettelijke rente over het bedrag van ƒ 10.862,24 vanaf 25 september 1992 tot volledige voldoening.

De uitspraak bevestigt dat bij afwijzing van een tegenvordering de rechtbank en het hof alsnog de wettelijke rente over de toegewezen hoofdsom moeten toewijzen. De Hoge Raad wees ook de kosten toe aan verweerder, begroot op enkele duizenden euro's.

Uitkomst: De Hoge Raad wijst de wettelijke rente toe over de hoofdsom van ƒ 10.862,24 vanaf 25 september 1992 en veroordeelt eiser in de kosten.

Uitspraak

24 mei 2002
Eerste Kamer
Nr. C00/242HR
SB
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser], wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie, incidenteel verweerder,
advocaat: mr. E. Grabandt,
t e g e n
[Verweerder], wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie, incidenteel eiser,
advocaat: mr. M.V. Polak.
1. Het geding in feitelijke instanties
Verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - heeft bij exploit van 25 september 1992 eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - gedagvaard voor de Rechtbank te Leeuwarden en gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [eiser] te veroordelen tot betaling aan [verweerder] van een bedrag van ƒ 15.000,--, althans een zodanig bedrag als de Rechtbank zal vermenen te behoren, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding.
[Eiser] heeft de vordering gemotiveerd bestreden en zijnerzijds in reconventie gevorderd [verweerder] te veroordelen tot betaling van ƒ 12.048,42, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 februari 1991, althans dit bedrag te compenseren met het in conventie toe te wijzen bedrag.
[Verweerder] heeft in reconventie de vordering bestreden.
De Rechtbank heeft bij tussenvonnis van 6 mei 1993 een comparitie van partijen gelast en bij tussenvonnis van 8 september 1994 in conventie iedere uitspraak aangehouden en in reconventie [eiser] bewijslevering opgedragen.
Tegen het tussenvonnis van 8 september heeft [eiser] zowel in conventie als in reconventie hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Leeuwarden.
Bij arrest van 13 december 1995 heeft het Hof het bestreden tussenvonnis, voor zover in reconventie gewezen, vernietigd en in zoverre opnieuw rechtdoende in reconventie [verweerder] bewijslevering opgedragen. Het Hof heeft voor het overige het vonnis waarvan beroep bekrachtigd en de zaak ter verdere behandeling en beslissing naar de Rechtbank te Leeuwarden verwezen.
Na enquête heeft de Rechtbank bij eindvonnis van 4 juni 1997 in conventie [eiser] veroordeeld tot betaling aan [verweerder] van een bedrag van ƒ 10.862,24 en in reconventie [verweerder] veroordeeld tot betaling aan [eiser] van een bedrag van ƒ 12.048,42, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van ƒ 1.186,18 met ingang van 2 februari 1991, en zowel in conventie als in reconventie het meer of anders gevorderde afgewezen.
[Verweerder] heeft tegen het eindvonnis van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Leeuwarden. Daarbij heeft hij zijn vordering in conventie vermeerderd tot een bedrag van ƒ 20.693,36. [Eiser] heeft tegen dit vonnis incidenteel appel ingesteld.
Het Hof heeft bij arrest van 26 april 2000 in het principaal appel het vonnis van de Rechtbank te Leeuwarden van 4 juni 1997, voor wat betreft de toewijzing van de reconventionele vordering van [eiser], vernietigd en in zoverre opnieuw rechtdoende, de reconventionele vordering van [eiser] alsnog afgewezen en het vonnis voor het overige bekrachtigd. In het incidenteel appel heeft het Hof het beroep verworpen
Het arrest van het Hof van 26 april 2000 is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen laatstvermeld arrest van het Hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. [Verweerder] heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende het incidenteel beroep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
[Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het principale beroep en [eiser] heeft in het incidentele beroep geconcludeerd tot referte, met verzoek hem buiten de kosten te laten vallen op het incidentele cassatieberoep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt in het principale beroep tot verwerping van het beroep en in het incidentele beroep tot vernietiging en afdoening door de Hoge Raad door de gevorderde wettelijke rente over de vordering in conventie alsnog toe te wijzen.
3. Uitgang in cassatie
Wat betreft de feiten en het verloop van de procedure verwijst de Hoge Raad naar punt 1 van de conclusie van de Advocaat-Generaal en naar het hiervoor onder 1 overwogene.
4. Beoordeling van het middel in het principale beroep.
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Beoordeling van het middel in het incidentele beroep
5.1 In haar eindvonnis van 4 juni 1997 heeft de Rechtbank zowel de vordering in conventie van [verweerder] van in hoofdsom ƒ 10.862,24 als de vordering in reconventie van [eiser] van in hoofdsom ƒ 12.048,42 toegewezen, en tevens de vordering van [eiser] tot betaling van wettelijke rente over dat gedeelte van zijn vordering dat de vordering van [verweerder] oversteeg.
5.2 Nu het Hof in hoger beroep de vordering in reconventie van [eiser] heeft afgewezen, had het Hof, naar het middel terecht betoogt, alsnog de in hoger beroep gehandhaafde vordering van [verweerder] tot veroordeling van [eiser] tot betaling van wettelijke rente over zijn - [verweerders] - hoofdvordering in conventie moeten toewijzen. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
in het principale beroep:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 359,48 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris;
in het incidentele beroep:
vernietigt het arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden van 26 april 2000 in het principaal beroep, doch uitsluitend voor zover daarbij aan [verweerder] niet is toegewezen de door hem gevorderde wettelijke rente over de hem toegewezen hoofdsom van ƒ 10.862,24;
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente over een bedrag van ƒ 10.862,24 met ingang van 25 september 1992 tot aan de dag der algehele voldoening;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 68,07 aan verschotten en € 1.590,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R. Herrmann als voorzitter en de raadsheren D.H. Beukenhorst en O. de Savornin Lohman, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 24 mei 2002.