ECLI:NL:HR:2002:AD9698
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- H.A.M. Aaftink
- O. de Savornin Lohman
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing cassatie in civiele vordering tot betaling
Eiser werd door WEA gedagvaard bij de Kantonrechter te Terneuzen met een vordering tot betaling van een geldbedrag vermeerderd met wettelijke rente. De Kantonrechter veroordeelde eiser tot betaling van een iets lager bedrag dan gevorderd, vermeerderd met rente over een deel van dat bedrag, en wees het meerdere af.
Eiser stelde beroep in cassatie in tegen dit vonnis. WEA verzocht het beroep te verwerpen. De conclusie van de Plaatsvervangend Procureur-Generaal was eveneens gericht op verwerping van het cassatieberoep.
De Hoge Raad oordeelt dat de aangevoerde klachten niet leiden tot cassatie en dat geen nadere motivering nodig is omdat geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde zijn. Het beroep wordt verworpen en eiser wordt veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
Het arrest is gewezen door drie raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 1 maart 2002.
Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser wordt verworpen en hij wordt veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.