ECLI:NL:HR:2002:AE0039
Hoge Raad
- Cassatie
- C.J.G. Bleichrodt
- F.H. Koster
- J.P. Balkema
- Rechtspraak.nl
Verzoek tot niet-ontvankelijkheid OM bij rijden onder invloed afgewezen
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin verdachte werd veroordeeld voor het overtreden van artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994. Het hof had het verweer van verdachte verworpen dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk was omdat geen transactie was aangeboden, en stelde dat het OM beleidsvrijheid heeft om te kiezen tussen transactie of vervolging.
Verdachte stelde dat de richtlijn voor strafvordering inzake rijden onder invloed voorschrijft dat schuld moet worden vastgesteld op basis van verwijtbaarheid door de rechter, aansluitend bij het culpa-begrip uit artikel 6 WVW Pro 1994. De Hoge Raad oordeelde dat dit onjuist is en dat het OM ontvankelijk is indien het op het moment van vervolgingsbeslissing redelijkerwijs mocht aannemen dat het ongeval mede aan de schuld van verdachte te wijten was.
De Hoge Raad benadrukte dat de vervolging niet gericht is op schuldvaststelling door de rechter inzake het ongeval zelf en dat het OM een beslissing moet nemen voordat de rechter betrokken is. Het beroep werd verworpen omdat het hof geen onjuiste rechtsopvatting had gehanteerd en voldoende gemotiveerd had geoordeeld.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte werd verworpen; het openbaar ministerie was ontvankelijk in de vervolging voor rijden onder invloed zonder transactievoorstel.