ECLI:NL:HR:2002:AE0155
Hoge Raad
- Cassatie
- P. Neleman
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- H.A.M. Aaftink
- O. de Savornin Lohman
- A. Hammerstein
- Rechtspraak.nl
Vergoeding van saneringskosten op grond van ongerechtvaardigde verrijking bij bodemverontreiniging
In deze zaak vorderde de Staat vergoeding van onderzoeks- en saneringskosten van een erfgenaam van de eigenaar van een terrein waarop bodemverontreiniging was vastgesteld. De bodemverontreiniging was veroorzaakt door eerdere exploitatie van een garagebedrijf en benzinepomp, en de sanering was voltooid in 1986. De Rechtbank wees de vordering af wegens verjaring, maar het Hof vernietigde dit oordeel en kende de vordering toe.
Het Hof oordeelde dat de verjaringstermijn verlengd werd door art. 119a Overgangswet NBW en dat de verrijking van de eigenaar door de waardestijging van het terrein na sanering ongerechtvaardigd was op grond van art. 75 lid 3 Wet Pro bodembescherming. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het beroep van de erfgenamen.
De Hoge Raad benadrukte dat ook een op de wet gegronde vermogensverschuiving ongerechtvaardigde verrijking kan opleveren en dat de omstandigheden dat de eigenaar niet onrechtmatig handelde en het terrein zonder speculatie verwierf, niet aan het opleggen van vergoeding in de weg staan. De verjaringstermijn was door de Staat tijdig gestuit. De Hoge Raad veroordeelde de eisers tot betaling van de proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de erfgenamen de saneringskosten op grond van ongerechtvaardigde verrijking aan de Staat moeten vergoeden.