ECLI:NL:HR:2002:AE0175

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 maart 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C01/357HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.E.M. van der Putt-Lauwers
  • D.H. Beukenhorst
  • O. de Savornin Lohman
  • A. Hammerstein
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 402 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens overschrijding termijn

Eiseressen hebben beroep in cassatie ingesteld tegen een vonnis van de Rechtbank te Breda van 28 augustus 2001. De Stichting, verweerster in cassatie, is niet verschenen bij de zittingen van de Hoge Raad, waarop verstek tegen haar is verleend.

De Hoge Raad heeft de ontvankelijkheid van het cassatieberoep onderzocht. Volgens het oude artikel 402 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering moet het cassatieberoep binnen drie maanden na de uitspraak van de rechtbank worden ingesteld. De dagvaarding voor cassatie is echter pas op 29 november 2001 uitgebracht, waardoor de termijn is overschreden.

Daarom verklaart de Hoge Raad het cassatieberoep niet-ontvankelijk. Tevens worden de kosten van het geding aan de zijde van de Stichting begroot op nihil. De beslissing is genomen door een meervoudige kamer en het arrest is in het openbaar uitgesproken op 15 maart 2002.

Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de cassatietermijn.

Uitspraak

15 maart 2002
Eerste Kamer
Nr. C01/357HR
SB
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [Eiseres 1],
2. [Eiseres 2],
beiden wonende te [woonplaats],
EISERESSEN tot cassatie,
advocaat: mr. R.Th.R.F. Carli,
t e g e n
WONINGBOUWSTICHTING OOSTERHOUT, gevestigd te Oosterhout,
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in cassatie
Bij exploit van 29 november 2001 hebben eiseressen tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] c.s. – aan verweerster in cassatie – verder te noemen: de Stichting – aangezegd dat zij beroep in cassatie instellen tegen het op 28 augustus 2001 tussen partijen gewezen vonnis van de Rechtbank te Breda, en de Stichting gedagvaard om te verschijnen ter terechtzitting van de Hoge Raad van 21 december 2001. [Eiseres] c.s. hebben de zaak ter rolle doen inschrijven.
Ter terechtzitting van 21 december 2001 is de Stichting niet verschenen, waarop [eiseres] c.s. hebben gevraagd tegen de Stichting verstek te verlenen.
De Rolraadsheer heeft de zaak naar de rol van 4 januari 2002 verwezen voor beraad conclusie op verstek en aan [eiseres] c.s. gevraagd zich uit te laten over de ontvankelijkheid van het cassatieberoep.
Ter rolle van 4 januari 2002 is de Stichting wederom niet verschenen waarna de zaak naar de rol van 18 januari 2002 is verwezen voor conclusie op verstek.
Nadat de Stichting andermaal niet was verschenen en de advocaat van [eiseres] c.s. zich niet had uitgelaten over de ontvankelijkheidsvraag heeft de Procureur-Generaal ter rolle van 18 januari 2002 mondeling geconcludeerd tot verstekverlening tegen de Stichting alsmede tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiseres] c.s. wegens overschrijding van de cassatietermijn.
Tegen de Stichting is verstek verleend.
Met betrekking tot de beslissing over de ontvankelijkheid van het cassatieberoep heeft de Rolraadsheer de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
Het cassatieberoep richt zich tegen een uitspraak van de Rechtbank van 28 augustus 2001.
Het te dezen toepasselijke art. 402 lid Pro 1 (oud) Rv. bepaalt dat het beroep moet worden ingesteld binnen drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak.
Nu de cassatiedagvaarding is uitgebracht op 29 november 2001, is de voor het cassatieberoep beschikbare termijn overschreden.
Het beroep zal derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart [eiseres] c.s. niet ontvankelijk in hun cassatieberoep;
veroordeelt [eiseres] c.s. in de kosten van het geding in cassatie tot aan deze uitspraak, aan de zijde van de Stichting begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, als voorzitter, D.H. Beukenhorst en O. de Savornin Lohman, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 15 maart 2002.