ECLI:NL:HR:2002:AE0831

Hoge Raad

Datum uitspraak
29 maart 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
36513
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • E. Korthals Altes
  • D.H. Beukenhorst
  • L. Monné
  • P.J. van Amersfoort
  • J.W. van den Berge
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 63 Algemene wet inzake rijksbelastingenArt. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt bevoegdheid Minister voor toepassing hardheidsclausule in belastingzaken

Belanghebbende had voor het jaar 1999 een voorlopige aanslag inkomstenbelasting ontvangen waarbij hij aftrek van woon-werkverkeerkosten had verzocht. De Inspecteur stond slechts een forfaitaire aftrek toe. Na bezwaar handhaafde de Inspecteur de aanslag. Belanghebbende ging in beroep bij het Hof, dat de uitspraak van de Inspecteur bevestigde. Belanghebbende stelde vervolgens cassatieberoep in bij de Hoge Raad.

De kern van het geschil betrof de vraag of het Hof bevoegd was om op grond van een hardheidsclausule af te wijken van de beslissing van de Inspecteur. De Hoge Raad oordeelde dat deze bevoegdheid uitsluitend aan de Minister van Financiën toekomt, zoals bepaald in artikel 63 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen. De rechter kan deze bevoegdheid niet overnemen.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en verklaarde het ongegrond. Tevens wees de Hoge Raad proceskostenveroordeling af. Hiermee werd bevestigd dat het beroep van belanghebbende niet tot een andere uitkomst leidt en dat de rechterlijke toetsing aan de hardheidsclausule beperkt is.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de bevoegdheid tot toepassing van de hardheidsclausule ligt uitsluitend bij de Minister van Financiën.

Uitspraak

Nr. 36.513
29 maart 2002
PdM
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 14 januari 2000, nr. 273/99, betreffende na te melden voorlopige aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Voorlopige aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1999 op zijn verzoek een voorlopige aanslag tot een bedrag van negatief ƒ 2770 vastgesteld, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld.
Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van de klachten
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
Belanghebbende is werkzaam in dienstbetrekking. Hij reist dagelijks per auto van zijn woonplaats naar zijn werk en terug. De afstand bedraagt 72 kilometer enkele reis. Belanghebbende heeft in het bezwaarschrift verzocht om aftrek van de kosten van het woon-werkverkeer voorzover deze hem niet zijn vergoed. De Inspecteur heeft slechts het forfaitaire bedrag voor de reiskosten in aftrek toegelaten.
3.2. Het Hof heeft het beroep van belanghebbende verworpen. Het heeft daarbij onder meer geoordeeld dat voorzover belanghebbende (impliciet) een beroep heeft gedaan op toepassing van een hardheidsclausule, dit hem niet kan baten, nu het Hof niet bevoegd is over toepassing daarvan te oordelen.
3.3. De hiertegen gerichte klacht van belanghebbende, die 's Hofs oordeel aldus leest dat het Hof "zich niet bevoegd acht om, als er al geen andere redenen zijn, op grond van een hardheidsclausule af te wijken van de beslissing van de Inspecteur", berust klaarblijkelijk op de opvatting dat het Hof een zodanige bevoegdheid wél zou hebben. Die opvatting is onjuist. De in artikel 63 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen bedoelde bevoegdheid om voor bepaalde gevallen of groepen van gevallen tegemoet te komen aan onbillijkheden van overwegende aard welke zich bij de toepassing van de belastingwet mochten voordoen, komt niet toe aan de rechter, maar is voorbehouden aan de Minister van Financiën. De klacht faalt derhalve.
3.4. Ook voor het overige kunnen de klachten niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering nu de klachten in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren D.H. Beukenhorst, L. Monné, P.J. van Amersfoort en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 29 maart 2002 .