ECLI:NL:HR:2002:AE0913
Hoge Raad
- Cassatie
- W.J.M. Davids
- G.J.M. Corstens
- A.J.A. van Dorst
- B.C. de Savornin Lohman
- E.J. Numann
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van rechtsgebiedsverzoek en intrekking cassatieberoep door verdachte
De verdachte diende bij de Rechtbank te Utrecht een verzoek in op grond van artikel 526, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, tot regeling van rechtsgebied vanwege vermeende meervoudige vervolging door verschillende rechters. De Rechtbank verklaarde zich onbevoegd omdat zij slechts bevoegd is in jurisdictiegeschillen tussen kantongerechten binnen haar rechtsgebied.
De verdachte stelde vervolgens beroep in cassatie in tegen deze onbevoegdheidsverklaring. De Hoge Raad overwoog dat een verzoek op grond van artikel 526 Sv Pro moet worden behandeld door de Hoge Raad als bevoegde rechter tot regeling van rechtsgebied. De Rechtbank had het verzoek dan ook moeten doorzenden aan de Hoge Raad.
Voordat de behandeling van het cassatieberoep plaatsvond, trok de verdachte het beroep en het verzoek in. De Hoge Raad verklaarde het beroep daarom niet-ontvankelijk en stelde vast dat de verdachte het cassatieberoep en het verzoek niet wilde handhaven.
De beschikking werd gegeven door de vice-president en raadsheren in raadkamer en uitgesproken op 2 april 2002.
Uitkomst: Het cassatieberoep werd niet-ontvankelijk verklaard na intrekking door de verdachte.