ECLI:NL:HR:2002:AE1059

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 april 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C00/177HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • C.H.M. Jansen
  • A.G. Pos
  • P.C. Kop
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatie in geschil over koopovereenkomst en wanprestatie

In deze civiele procedure stond een geschil centraal over de koopovereenkomst van een onderneming, inclusief inventaris en wagenpark, en de nakoming daarvan. De verweerster had de eiseres gedagvaard met diverse vorderingen, waaronder betaling van een koopprijs, schadevergoeding wegens wanprestatie en nakoming van een huurkoopovereenkomst. Eiseres nam een exceptie van onbevoegdheid en stelde zelf vorderingen in reconventie.

De rechtbank wees de vorderingen van verweerster af en gelastte een comparitie van partijen. In hoger beroep werden diverse tussenvonnissen en arresten gewezen, waarbij onder meer bewijslevering werd opgedragen en deskundigen werden gehoord. Het hof verklaarde verweerster niet-ontvankelijk in een deel van haar hoger beroep en verwees de zaak terug naar de rechtbank voor verdere behandeling.

Na meerdere procedures en deskundigenberichten wees de rechtbank in 1998 een eindvonnis in reconventie dat werd bekrachtigd door het hof in 2000. Verweerster verzocht om voeging van procedures, wat werd afgewezen. Tegen de arresten van het hof en het eindvonnis stelde eiseres cassatieberoep in.

De Hoge Raad oordeelt dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden en verwerpt het beroep zonder nadere motivering. Hiermee blijven de eerdere beslissingen in stand. Eiseres wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bekrachtigt de eerdere vonnissen en arresten.

Uitspraak

5 april 2002
Eerste Kamer
Nr. C00/177HR
AP
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiseres], rechtsopvolgster van [A] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats],
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
[Verweerster], rechtsopvolgster van [B] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: aanvankelijk mr. K.M. van Holten
thans mr. E. Grabandt
1. Het geding in feitelijke instanties
Verweerster in cassatie - verder te noemen: [verweerster] - heeft bij exploit van 14 oktober 1989 eiseres tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] - op verkorte termijn gedagvaard voor de Rechtbank te Assen en gevorderd:
Primair:
- [eiseres] te veroordelen tot betaling van een bedrag van ƒ 446.899,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 juni 1989, subsidiair vanaf de dag der dagvaarding;
- te verklaren voor recht dat er tussen partijen op of omstreeks 25 oktober 1988 een koopovereenkomst is gesloten inzake de overname van de onderneming van [verweerster] door [eiseres], inclusief inventaris en wagenpark, welke laatste twee tegen boekwaarde;
- [eiseres] te veroordelen om aan haar te voldoen de door haar geleden vermogensschade wegens buitengerechtelijke incassokosten, ter hoogte van ƒ 25.000,--;
- [eiseres] te veroordelen tot voldoening van een schadevergoeding wegens wanprestatie nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
Subsidiair:
- te verklaren voor recht dat er tussen partijen tot stand is gekomen een koop op afbetaling met jaarlijkse aflossingsbedragen te beginnen op 1 januari 1989 van ƒ 89.379,80;
- [eiseres] te veroordelen tot voldoening van een bedrag van ƒ 89.379,80, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 juni 1989 en met veroordeling van [eiseres] tot voldoening van de door [verweerster] geleden vermogensschade wegens buitengerechtelijke incassokosten, groot ƒ 8.937,98;
- [eiseres] te veroordelen tot voldoening van de wegens wanprestatie veroorzaakte overige vermogensschade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet en vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 juni 1989, subsidiair vanaf de dag der dagvaarding;
Meer subsidiair:
- [eiseres] te veroordelen tot nakoming van de op of omstreeks 25 oktober 1988 gesloten overeenkomst tot het opstellen van een huurkoopovereenkomst, met inachtneming van vijf jaarlijkse aflossingsbedragen van ƒ 89.379,80 voor het eerst te voldoen per 1 januari 1989, en deze te gebieden medewerking te verlenen aan de opstelling van een akte inzake de huurkoopovereenkomst binnen vijf dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis, een en ander ander op straffe van een dwangsom van ƒ 10.000,-- per dag;
- [eiseres] te veroordelen tot voldoening van een schadevergoeding wegens wanprestatie nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 juni 1989, subsidiair vanaf de dag der dagvaarding;
Nog meer subsidiair:
- te verklaren voor recht dat [eiseres] jegens [verweerster] een onrechtmatige daad heeft gepleegd;
- [eiseres] te veroordelen tot voldoening aan [verweerster] van de door deze geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet en vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 juni 1989, subsidiair vanaf de dag der dagvaarding.
[Eiseres] heeft een conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid genomen. Vervolgens heeft zij de vorderingen van [verweerster] gemotiveerd bestreden en harerzijds in reconventie gevorderd [verweerster] te veroordelen om aan [eiseres] te voldoen ƒ 39.546,26 alsmede ƒ 311.208,--, beide bedragen vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 november 1989.
[Verweerster] heeft de incidentele en reconventionele vorderingen bestreden en in conventie haar eis gewijzigd door omkering van de meer en nog meer subsidiaire vordering.
De Rechtbank heeft bij tussenvonnis van 15 mei 1990 [eiseres] bewijslevering opgedragen. Na enquête en contra-enquête heeft de Rechtbank bij vonnis van 15 januari 1991 in conventie [verweerster] haar vorderingen ontzegd en in reconventie een comparitie van partijen gelast.
Tegen het vonnis van 15 januari 1991 heeft [verweerster] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Leeuwarden. Bij memorie van grieven heeft zij gevorderd voormeld vonnis van 15 januari 1991 te vernietigen en opnieuw rechtdoende haar vorderingen in conventie, gewijzigd zoals weergegeven in het hierna te noemen arrest van het Hof van 8 september 1993, alsnog toe te wijzen.
[Eiseres] heeft tegen beide vonnissen incidenteel hoger beroep ingesteld en gevorderd beide tussenvonnissen voor zover in reconventie gewezen, te vernietigen en opnieuw rechtdoende haar vorderingen in reconventie, eveneens gewijzigd zoals weergegeven in het arrest van het Hof van 8 september 1993, alsnog toe te wijzen.
Bij tussenarrest van 8 september 1993 heeft het Hof een comparitie van partijen gelast. Bij arrest van 21 december 1994 heeft het Hof in het principaal appel [verweerster] niet ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep voor zover het is gericht tegen het vonnis van 15 mei 1990, de zaak naar de rol verwezen voor uitlaten aan de zijde van [verweerster], en iedere verdere beslissing aangehouden. In het incidenteel appel heeft het Hof de vonnissen voor zover in reconventie gewezen bekrachtigd en de zaak naar de Rechtbank te Assen verwezen teneinde daarop verder te beslissen.
Na verwijzing heeft de Rechtbank bij tussenvonnis van 20 juni 1995 in reconventie een comparitie van partijen gelast en bij tussenvonnis van 9 juli 1996 een verhoor van deskundigen ter beantwoording van de in dat vonnis geformuleerde vragen bevolen. Na deskundigenbericht heeft de Rechtbank bij eindvonnis van 22 december 1998 in reconventie de vorderingen afgewezen.
Tegen het in reconventie gewezen vonnis van 22 december 1998 heeft [eiseres] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Leeuwarden.
[Verweerster] heeft bij akte voeging van de procedures in conventie en reconventie verzocht en daarbij zijn eis in conventie gewijzigd en vermeerderd.
[Eiseres] heeft zich verzet tegen het verzoek van [verweerster] tot voeging van beide procedures.
Bij arrest van 19 januari 2000 (rolnummer 9900119) heeft het Hof in het principaal appel in reconventie het vonnis van 22 december 1998 bekrachtigd en in het incidenteel appel het beroep verworpen. Bij arrest van eveneens 19 januari 2000 (rolnummer 91005598) heeft het Hof in het incident de gevorderde voeging afgewezen en in de hoofdzaak in conventie een comparitie van partijen gelast en iedere verdere beslissing aangehouden.
Het arrest van het Hof van 21 december 1994 en de twee arresten van 19 januari 2000 zijn aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de drie laatstvermelde arresten van het Hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op € 4.209,81 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.H.M. Jansen, als voorzitter, A.G. Pos en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 5 april 2002.