ECLI:NL:HR:2002:AE1489
Hoge Raad
- Cassatie
- W.J.M. Davids
- B.C. de Savornin Lohman
- E.J. Numann
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid meervoudige strafkamer bij samenhang economische en commune delicten
In deze zaak stond de vraag centraal welke kamer van de rechtbank bevoegd was om kennis te nemen van een cumulatieve tenlastelegging bestaande uit zowel een economisch delict als commune delicten. De verdachte voerde aan dat de economische kamer bevoegd was omdat het eerste tenlastegelegde feit een economisch delict betrof.
Het hof verwierp dit verweer en oordeelde dat noch de tekst van artikel 39 lid 3 van Pro de Wet op de economische delicten, noch de wetsgeschiedenis, noch het stelsel van de wet de volgorde van de feiten bepalend maakt voor de bevoegdheid. Het hof stelde dat de economische kamer bevoegd is indien er samenhang is tussen economische en commune delicten die tezamen ten laste zijn gelegd, ongeacht de volgorde.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof en verwierp het cassatieberoep van de verdachte. De Hoge Raad benadrukte dat de wetsgeschiedenis en de tekst van artikel 56 lid 4 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie niet impliceren dat de volgorde van de feiten bepalend is voor de bevoegdheid. De gewone strafkamer was derhalve bevoegd om van de feiten kennis te nemen.
De Hoge Raad stelde vast dat het middel faalt en dat geen reden bestaat om de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen. Het beroep van de verdachte werd verworpen en de veroordeling tot twintig maanden gevangenisstraf bleef in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de gewone strafkamer bevoegd was en verwerpt het cassatieberoep van de verdachte.