ECLI:NL:HR:2002:AE2179

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 september 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C01/021HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • P. Neleman
  • J.B. Fleers
  • H.A.M. Aaftink
  • A.G. Pos
  • O. de Savornin Lohman
  • A. Hammerstein
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROWet op de rechterlijke organisatieArt. 67 RvArt. 292 RvArt. 424 Rv
Verwijzingen
7 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep in civiele procedure tussen eiser en N.V. Pharmacia & Upjohn

Deze zaak betreft een civiele procedure tussen eiser en N.V. Pharmacia & Upjohn, waarbij de Hoge Raad het cassatieberoep van eiser heeft behandeld. Het geding in de lagere instanties betrof een geschil dat na eerdere verwijzing door de Hoge Raad was voortgezet bij het Gerechtshof te Arnhem. Upjohn had haar vorderingen verminderd en eiser werd veroordeeld tot betaling van proceskosten.

Eiser stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het Hof, maar de Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden. De advocaat van eiser reageerde te laat op de conclusie van de Advocaat-Generaal, waardoor die reactie terzijde werd gelegd.

De Hoge Raad verwierp het beroep en veroordeelde eiser in de kosten van het geding in cassatie. Het arrest werd gewezen door een meervoudige kamer en in het openbaar uitgesproken op 13 september 2002.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser wordt verworpen en eiser wordt veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

Uitspraak

13 september 2002
Eerste Kamer
Nr. C01/021HR
MD
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser], wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. A.L.Chr.M. Oomen,
t e g e n
de rechtspersoon naar Belgisch recht N.V. PHARMACIA & UPJOHN, voorheen N.V. UPJOHN, gevestigd te Puurs, België,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. C.J.J.C. van Nispen.
1. Het geding in voorgaande instanties
Voor het verloop van het geding in voorgaande instanties verwijst de Hoge Raad naar zijn arrest van 1 juli 1992, nr. 13.668, NJ 1992, 675, gewezen tussen thans verweerster in cassatie, verder te noemen: Upjohn, en thans eiser tot cassatie, verder te noemen: [eiser].
Bij dit arrest heeft de Hoge Raad het arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 18 januari 1988 vernietigd en de zaak ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar het Gerechtshof te Arnhem.
Bij exploit van 9 februari 1999 heeft [eiser] Upjohn opgeroepen tot verder procederen voor het Gerechtshof te Arnhem.
Bij memorie van antwoord na verwijzing heeft Upjohn haar eis verminderd in dier voege, dat zij, weliswaar onder handhaving van haar (rechts)gronden, géén voorzieningen meer vordert, doch uitsluitend persisteert bij haar vordering [eiser], doch thans uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen in de proceskosten van de feitelijke instanties, met veroordeling van [eiser] in de kosten na verwijzing gerezen.
[Eiser] heeft de vordering van Upjohn bestreden.
Het Hof heeft bij arrest van 12 september 2000, rechtdoende in hoger beroep in kort geding na verwijzing, het tussen partijen gewezen vonnis van de President van de Rechtbank te 's-Hertogenbosch van 19 mei 1987 vernietigd. Opnieuw rechtdoende heeft het Hof verstaan dat Upjohn de door haar bij inleidende dagvaarding gevorderde voorzieningen, met uitzondering van de proceskostenveroordeling, in deze procedure heeft ingetrokken, en [eiser], uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld in de kosten van de feitelijke instanties inclusief van deze verwijzingsprocedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Upjohn begroot op ƒ 500,-- aan verschotten, ƒ 197,20 aan exploitkosten en ƒ 15.500,-- voor salaris.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen laatstvermeld arrest van het Hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Upjohn heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
Upjohn heeft de zaak doen toelichten door haar advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van [eiser] heeft op die ter rolzitting van 26 april 2002 genomen conclusie gereageerd bij brief van 16 mei 2002, derhalve later dan verenigbaar is met de eisen van een goede procesorde in cassatie, welke eisen meebrengen dat op een eventuele reactie op de conclusie slechts acht kan worden geslagen indien deze bij de Hoge Raad is ingekomen binnen twee weken nadat de conclusie ter rolle is genomen. De Hoge Raad heeft de brief dan ook terzijde gelegd.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Upjohn begroot op € 286,88 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren J.B. Fleers, H.A.M. Aaftink, A.G. Pos en O. de Savornin Lohman, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 13 september 2002.