ECLI:NL:HR:2002:AE3171
Hoge Raad
- Cassatie
- F.W.G.M. van Brunschot
- C.B. Bavinck
- J.C. van Oven
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt civielrechtelijke toets voor fiscale kwalificatie geldverstrekking moeder- en dochtervennootschap
Belanghebbende kreeg voor het jaar 1994 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd op een belastbaar bedrag van f 6.101.161. Na bezwaar en een ongegrond verklaard beroep bij het Hof, stelde belanghebbende beroep in cassatie in tegen het hofarrest.
De kernvraag betrof de fiscale kwalificatie van een geldverstrekking door een moedervennootschap aan haar dochtervennootschap: moest deze worden aangemerkt als een lening of als een kapitaalverstrekking? De Hoge Raad bevestigde dat in beginsel de civielrechtelijke vorm doorslaggevend is, tenzij sprake is van een van drie uitzonderingssituaties.
In deze zaak bleken geen van deze uitzonderingen van toepassing. Ook het feit dat sommige facturen lang openstonden, rechtvaardigde geen andere fiscale kwalificatie. Het cassatiemiddel werd daarom verworpen en het beroep ongegrond verklaard.
De Hoge Raad wees geen proceskosten toe en sprak het arrest uit op 24 mei 2002.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de civielrechtelijke kwalificatie van de geldverstrekking blijft bepalend voor de fiscale behandeling.