ECLI:NL:HR:2002:AE3269
Hoge Raad
- Cassatie
- G.J. Zuurmond
- F.W.G.M. van Brunschot
- D.G. van Vliet
- P. Lourens
- J.C. van Oven
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over belastingheffing bij onbetaald laten van schulden in faillissement
Aan belanghebbende zijn voorlopige aanslagen vennootschapsbelasting opgelegd voor de boekjaren 1999 en 2000, welke na bezwaar gehandhaafd bleven. Het Hof verklaarde het beroep van belanghebbende gegrond en vernietigde de aanslagen. De Staatssecretaris stelde beroep in cassatie in tegen deze uitspraak, terwijl belanghebbende en haar curatoren incidenteel beroep instelden.
De kernvraag was of het onbetaald laten van schulden door een vennootschap in faillissement leidt tot een vermogensvermeerdering die als winst uit onderneming moet worden belast. De Hoge Raad bevestigde dat een dergelijke vermogensvermeerdering niet optreedt zolang de vennootschap in staat van faillissement verkeert, omdat de schulden niet worden kwijtgescholden door het faillissement zelf.
De Hoge Raad verwierp de middelen van de Staatssecretaris die uitgingen van een onjuiste veronderstelling van winstneming en oordeelde dat de compensabele verliezen groter waren dan de vermeende kwijtscheldingswinst. Ook het beroep op strijd met doel en strekking van de kwijtscheldingsfaciliteit faalde. Het incidentele beroep van belanghebbende strekte tot bekrachtiging van het hofbesluit en werd eveneens ongegrond verklaard.
De Hoge Raad veroordeelde de Staatssecretaris tot betaling van de proceskosten en wees het cassatieberoep af, waarmee de uitspraak van het Hof in stand bleef.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van het Hof blijft in stand.